donderdag 20 oktober 2016

Je zou toch over mij kunnen schrijven?

Wanneer ik nou weer eens een stukje zou schrijven, vroeg mijn moeder, voor wie het blijkbaar ook allemaal wat lang ging duren.
Ik legde haar uit dat ik nogal veel aan mijn hoofd heb de laatste maanden, dingen waarover ik dolgraag zou bloggen, maar waarover ik niet kán bloggen, omdat er anderen bij betrokken zijn, en kinderen bovendien.
Dat ik zogezegd lijd aan een exogeen gegenereerd writer’s block.
Ja, dat begreep ze natuurlijk wel.


‘Maar je zou toch over mij kunnen schrijven?’ (Je moest eens weten, mam, wat ik allemaal al over je heb geschreven, wat misschien ooit nog eens het levenslicht gaat zien. Ik kan alleen niet beloven dat jij dan nog leeft.)
‘Koos zei het laatst ook,’ ging ze verder: “Yvon zou best eens wat vaker over jou kunnen schrijven.”’
Daarmee had ze me even een momentje in verwarring.
De buurman van mijn moeder leest mijn blog?
En vind dat ik wel eens wat vaker over mijn moeder mag schrijven?
Euh? 
Ik vroeg me onwillekeurig af of hij dat echt gezegd had, of dat het iets was wat zij ervan had gemaakt.

‘Tsja,’ zei ik. ‘Maar ik heb toch al heel vaak over je geschreven?’
Ik herinnerde me de ruzie over Zwarte Piet en dat ik had geschreven over hoe ze kat Juultje kreeg en over dat ze oud wordt en ik dat moeilijk vind. Ik herinnerde me zelfs dat ik op een bepaald moment heb gedacht nu moet ik eens ophouden met die stukjes over mijn bejaarde moedertje, er zijn ook nog andere dingen die mij bezighouden, nietwaar.


Maar we waren er nog niet. ‘Ik had eigenlijk wel verwacht dat je iets zou schrijven over die dag in het ziekenhuis. Je hebt toch niet voor niets van die vreselijke foto’s van mij lopen maken?’

Oja, haha, die dag in het ziekenhuis.
En haha, ja, die foto’s.
Ik was mee, met mijn moeder, om het moreel hoog te houden. En voor hulp bij de fysieke verplaatsing van afdeling naar afdeling, voor een reeks pre-operatieve en geriatrische (ik zou willen dat ik het gezicht van mijn moeder kon beschrijven, wanneer ze het woord geriater uitspreekt) onderzoeken. 
Niets ernstigs, hoor. Ze krijgt gewoon een nieuwe knie. Je bent 86 en je wilt wat. Lopen, in haar geval. 


Het was eerlijk gezegd een heel grappige dag. Doodvermoeiend, maar reuzeleuk, voor mij dan vooral. Voor mijn moeder was het meer een soort achtbaan. Letterlijk, omdat ik natuurlijk zo hard mogelijk met haar in die rolstoel van 2 euro door de gangen racete, maar ook emotioneel: ziekenhuizen maken haar al nerveus, en toen bleek ook nog dat haar hart niet helemaal goed genoeg was, waardoor de operatie uitgesteld moet worden tot na verder cardiologisch onderzoek.

Gelukkig was ik in topvorm, want iemand die eigenlijk wil huilen van teleurstelling en schrik aan één stuk door laten huilen van het lachen, is voorwaar geen sinecure.



Ik denk dat het wel zal loslopen met dat hart. Het zal wel moeten, want die nieuwe knie moet en zal er komen.

En dat schijnt mijn schuld te zijn:

‘Ik was eigenlijk van plan om maar eens dood te gaan. Maar dat kan nu dus niet meer, want nu moet ik eerst wachten tot jij weer gelukkig bent.’


Het is toch te schattig ook, hè.







donderdag 29 september 2016

Hoe ik bijna lid was geweest van Vindicat


Het was 1989.
Ik was 18.
Ik ging studeren in Groningen, samen met een vriendengroep van de middelbare school in Assen.
We gingen de KEI-week doen. De introductieweek voor studenten. Dat hield in (en waarschijnlijk gaat het nog steeds zo) dat je in een groepje werd ingedeeld en door een ‘KEI-leider’ – een ouderejaarsstudent – een week lang wegwijs werd gemaakt in het studentenleven van Groningen. Een ontdekkingstocht langs alle verenigingen, sportclubs en vooral veel eettentjes en cafés.

Maar ja, wij waren met onze eigen vriendengroep. Dus we speelden vals. We haalden netjes onze KEI-kaart en goodiebag, maar vormden vervolgens stiekem ons eigen groepje. Zonder KEI-leider. We kenden de stad toch al; we kwamen niet van de andere kant van het land tenslotte.
Ik had een appartement in het centrum geregeld waar we met z’n achten mochten logeren. 
Het werd fantastisch.
In elk geval de eerste paar dagen.


Op de derde dag zei mijn vriendin N: ‘We gaan dus wel lid worden, hè.’
‘Waarvan?’ vroeg ik.
‘Nou, euh… LID worden. Jeweetwel. Van het Corps. Net als mijn broer. Dat is gaaf.’
‘Het koor?’ 
Ik vermoedde onmiddellijk dat ze geen zanggroepje bedoelde, maar verder had ik geen idee.
‘Oké,’ zei ik. ‘Tuurlijk. Als dat gaaf is.’
Dus we gingen ons inschrijven. Alle acht.
Er hing een beetje een gekke sfeer, in dat Mutua-Fidesgebouw. Maar ook wel spannend. Bovendien: ik ging studéren. Ik was klaar voor nieuwe dingen. Laat maar komen, alles, dacht ik.

Nu was Vindicat in 1989 nog mateloos populair, dus er was een loting. Een dag later zou er een bord buiten hangen met alle inschrijfnummers die buiten de boot waren gevallen.


Gezien de titel van dit stukje voelt u het al aankomen. Op dat bord, de volgende dag, tussen een heleboel andere nummers, stond mijn nummer.
Ik was uitgeloot. 
Als enige van ons.
De andere zeven zaten er allemaal bij en moesten onmiddellijk op ontgroeningskamp. (Belachelijk vond ik dat; de KEI-week was nog niet eens afgelopen!)
Ik bleef in mijn eentje achter in het appartement, ruimde de troep op en huilde mijn ogen uit mijn hoofd. Zo gemeen: zij gingen met z’n allen iets heel leuks doen en ik mocht niet mee.



Een paar weken later – het studiejaar was inmiddels lang en breed begonnen – zag ik vriendin N voor het eerst pas weer.
Ik vloog haar om de hals.
‘Hoe gaat het, hoe is het, wat heb je allemaal gedaan!’ vroeg ik.
Ze brabbelde met een vreemde, hese stem iets onverstaanbaars.
‘Wat zeg je?’
Ze zei het opnieuw. Nu verstond ik het wel. Maar dan nog.
‘Waarom praat jij zo raar?’
Ze praatte niet raar, hoezo? Het was heel gaaf geweest. Ze moesten op een dag vijftien uur stilzitten op de grond zonder te mogen slapen of plassen. En ze werden de hele tijd uitgescholden. En moesten dagen rondlopen met stinkend, plakkerig spul in hun haar. Het was geweldig.
Ik leerde in een paar minuten tijd een heleboel nieuwe woordjes: feut, jaarclub, prominent, adten. 

Ze deed vooral heel vaag. Alsof ik het toch allemaal niet zou begrijpen. En dat was ook zo; ik begreep er geen snars van. Er was een onoverbrugbare kloof ontstaan. Ze was toegetreden tot een geheim genootschap. En terwijl zij daar ontgroend werd, was ik intussen, zonder het te weten, veranderd in een knor.

Ik begreep het.
En ik vond het ineens allemaal niet zo erg meer.


Ik woonde inmiddels in een studentenhuis met leden van Albertus. Dat is ook een studentenvereniging, maar een beetje gematigder. Ik heb nog even overwogen om daarvan lid te worden, een jaar later, maar deed het uiteindelijk niet. Het was eigenlijk allemaal wel prima; ik had al genoeg vrienden, ik werkte in een café en als vrijwilliger in een theater, ik zong in een musicaldinges, ik sportte, en verder studeerde ik gewoon best hard. 
Ik heb van alles wat meegepikt. Ik heb een Vindicatvriendje gehad en een Albertusvriendje, ben naar die suffe gala’s geweest, maar verder ging ik vooral mijn eigen weg.



N heb ik eigenlijk nooit meer echt teruggezien.
Ja, ik kwam haar wel eens tegen in de stad.
En later nog eens op Hyves.
Dan zeiden we hoi.



Als Vindicat weer eens in het nieuws is denk ik altijd: Oja, Vindicat. De vereniging waar ik geen lid van werd.
Ik ben de kosmos nog altijd dankbaar.







maandag 22 augustus 2016

Stuk




Ik blogde voor het laatst op 17 juni: de dag voor ik 45 werd.
Nog een dag eerder was mijn leven ingestort, maar ik was nog in de ontkenning. Dus ik schreef maar gewoon een stukje, over de publieke waan van de dag.
Het was de laatste stuiptrekking, voorlopig.

Want mijn leven was ingestort, en al snel was daar geen ontkennen meer aan.


Mijn man, mijn echtgenoot, de vader van mijn kinderen, was vertrokken.
Weggegaan en niet teruggekomen.

(Het verwarrende was dat hij intussen op zijn beurt beweerde dat ik hem het huis uit had gezet. Wat me geen goed teken leek; als je het daarover al niet eens bent, dan kon het nog wel eens een zware dobber worden.)


Nou moet ik toegeven dat ik inderdaad de woorden ‘ik wil je niet meer zien’ had uitgesproken, maar dat leek me eerlijk gezegd geen reden waarom hij de volgende dag niet op de stoep zou kunnen staan met een bos rozen en excuses. De woorden ‘ik wil je niet meer zien,’ zegt men doorgaans niet zomaar, immers.

Maar hij kwam dus niet terug.

En ik begreep niet waarom.


Het werd een volkomen idiote maand; de laatste maand voor de vakantie. Met laatste proefwerkweken en eindshows en kampeerfeestjes van de kinderen, werk-deadlines van mij en oja: de verbouwing van de keuken was nog steeds aan de gang. Het huis was een totale chaos, de auto was kapot en er kwamen ook nog zonnepanelen op het dak en ik moest alles alleen doen.

Want mijn man was weg.


Het ene moment was ik boos, het andere moment verdrietig, en tussendoor vooral in de war. En terwijl ik er dus zelf niets van begreep, moest ik het wel voor de kinderen allemaal een beetje snapbaar maken.
Ik keek af en toe met verbazing naar mezelf. Omdat ik totaal in de kreukels lag, maar het allemaal tóch nog een soort van lukte. Met elke dag gezonde maaltijden en brood in huis en schone was aan de lijn en iedereen op tijd op de goede plek met de goede spullen. De mens is een wonderlijke machine.



En toen ging ik voor het eerst in mijn leven als alleenstaande ouder op zomervakantie. Met drie kinderen naar Vlieland.
Ik zag er van tevoren een beetje tegenop, maar het kwam helemaal goed.
Beter dan goed. Vlieland is een lief eiland. En ik heb nógal leuke kinderen.
En wat ook meehielp was het prachtige weer, de volle maan, en de komst van mijn zusje uit Hawaii met haar dochtertje.


Het lukte warempel om de voorafgaande maand zo’n beetje van me af te schudden.
Ik kon weer ademen, op dat eiland.
De paniek verdween.
Het is wat het is, dacht ik.
We zien het verder allemaal wel.





Inmiddels is alles duidelijk.
Ik weet met terugwerkende kracht waarmee ik aan het dealen was.

Om een lang verhaal kort te maken:
We zijn stuk.
En ik denk niet dat we nog gerepareerd kunnen worden.

We zijn stuk.
Het gezin is stuk.
En dat is zo, zo verdrietig.





Een paar dagen geleden, toen ik de Lidl uit kwam, zat er een witte duif op mijn fiets. Soms fladdert de symboliek je letterlijk om de oren.
Nou denk ik niet echt dat het iets te betekenen had, hoor. Maar als het toch iets betekende, dan vast dat de tijd van ruziemaken voorbij is. 
Dat is ook wat waard.




vrijdag 17 juni 2016

Ik ben bijna jarig en had wat nachtelijke gedachten over dat filmpje van Denk


Morgen ben ik jarig.
Een goed moment om even de balans op te maken.
Er is heel wat gebeurd de afgelopen vijf jaar, die ik voor het gemak maar even de periode 40-45 noem. (..)

Zo ben ik bijvoorbeeld vijftien jaar ouder geworden.
Reken maar mee: toen ik 40 werd was gewoon nog 28. Maar nu ik 45 word, ben ik toch echt wel  …tsja, 43 ofzo. Van binnen. (En ook van buiten; dat weet ik, omdat toen ik zei dat ik 40 werd mensen nog massaal in katzwijm vielen, en als ik nu zeg dat ik 45 word men gewoon een soort van ‘oja’ knikt.)
Zo gaan die dingen.
Je doet er niets aan.
En het is oké.
Maar toch, vijftien jaar ouder worden in vijf jaar tijd gaat je niet in de koude kleren zitten. Wat ik ineens een ontzettend rare uitdrukking vind (koude kleren?), maar omdat ik nu geen heb zin om te googlen, laat ik het er maar bij.  

Oh wacht, ik ging tóch googlen - het is sterker – en weet het nu: Volgens het Groot Uitdrukkingenwoordenboek wordt met de koude kleren de bovenkleding bedoeld. 'Als iets wist door te dringen door je koude kleren, drong het daarmee ook door tot je ondergoed.'

Aha.
Nou dat dus.


Wat overigens wel fijn is in dit kader is dat ik de trend meeheb. Ik surf als het ware op zo’n groene golf (u weet wel, dat hebben sommige steden: als je een groen stoplicht treft en je houdt een bepaalde snelheid aan, dan is het volgende stoplicht weer groen, en het volgende ook, etc.)
Want toen ik dertig werd, was dertig ineens het nieuwe twintig. En toen ik veertig werd, was net bekend dat veertig het nieuwe dertig was! Echt! En nu, vlak voor mijn verjaardag – het kán gewoon geen toeval zijn – bereikte mij het nieuws dat bóven de veertig het nieuwe sexy is!





Ik bedoel: wow: je zou bijna denken dat mijn generatie actief iets met deze berichtgeving van doen heeft!
Oh.
Dat is waarschijnlijk ook zo.

Maar ja: berichten die ons goed uitkomen, nemen we nou eenmaal graag ter harte.

En hiermee wil ik eigenlijk even een duit in het zakje doen van de ‘dont trust the media’-dinges, aangewakkerd door het filmpje van de nieuwe politieke partij Denk.
(Niet gezien? Klik)

Een moeilijk filmpje hoor, pff!
Ik vind het serieus heel akelig wat er met Sylvana Simons gebeurd is de laatste tijd, en ik geloof ook echt dat er racisme in de samenleving is die bestreden moet worden, maar oef... dit!

Ik bedoel, het is zo… dommig. Ergens.

Moeten we ons niet eerst wat dieper afvragen wat de media eigenlijk nog ís, vandaag de dag? Is de rol van de media, de waarde en betekenis, niet enorm veranderd, sinds het internet er is? 
Waren de media vroeger misschien nog  – zoals we dat graag zien althans – opniemakers en opinieveranderaars, maar zijn het tegenwoordig niet vooral opinievoeders?

‘Berichten die ons goed uitkomen, nemen we nou eenmaal graag ter harte.’

We kunnen tegenwoordig zoveel verschillende nieuwsberichten lezen (en reacties daarop en meningen daarover), dat het heel makkelijk is om precies die berichten en meningen eruit te pikken die ons goed uitkomen, die ons sterken in onze opvattingen. We lezen wat we willen lezen.

En de scheiding – zoals die blijkbaar in veel hoofden nog leeft – tussen de media (de zenders), en het volk (de ontvangers) die bestaat nauwelijks meer! Oftewel: die is in rap tempo aan het vervagen. Door de social media zijn wij zelf de media geworden. Op z'n minst een verlengstuk; als we al niet persoonlijk nieuws en opinie leveren (blogs, facebook, etc), dan verspreiden we het wel; we bepalen de waarde van het nieuws, door bepaalde berichten meer te delen dan andere berichten.
Wij zijn de media, en we drijven alles op de spits.

Naast nógal tenenkrommend is het filmpje vooral totaal nietszeggend. Vier mensen op een kruk die met hun vingertje waarschuwen dat de media niet objectief zijn.
Nee. Duh!
En dus?
Wat nu?

'Trap er niet in!'
Nee.
Maar waar precies niet in? En waar moeten we wel intrappen?

Nja.
Ik ga slapen.
Laat maar weten, of ik iets zinnigs heb gezegd.



zaterdag 14 mei 2016

Ook zo'n zin in vanavond!!??


Ik werd afgelopen dinsdagavond, tijdens de halve finale van het Eurovisie Songfestival, herinnerd aan een ongelofelijk gênante situatie met Douwe Bob. Maar daar durf ik natuurlijk niet over te schrijven.
De dag na het voorval werd deze foto gemaakt. (Niet door mij dus; ik kon hem immers nooit meer onder ogen komen.)






Waar ik de afgelopen weken eigenlijk wel over wilde schrijven was over Ebru Umar.
Ebruutje. (Met de nadruk op bruutje. Haha. Hm.)
Maar dat gebeurde ook niet.
Waarschijnlijk omdat ik onbewust dacht: voor ik het weet heb ik het weer met haar aan de stok. Want dat gaat heel makkelijk, heb ik gemerkt. Ik bedoel: je vindt openbaar op Twitter een grapje van haar niet leuk (waarom eigenlijk, vraag je je achteraf af – noem het een weak moment), retweet vervolgens verbouwereerd een nógal onaardige reply en vergeet haar daarbij te mentionen (ja weet ik veel, ik twitter ook maar af en toe bij wijze van hobby) en hoppa: je wordt beticht van NSB-gedrag. Letterlijk.

Een en ander had overigens tot gevolg dat de column waarin ze onlangs de Nederturken feliciteerde met hun NSB-gedrag, toch wat minder sterk op me overkwam. Want dacht ik tot voor kort bij NSB-gedrag nog aan landverraad en heulen met de vijand en medeplichtigheid aan genocide enzo, inmiddels weet ik dat Ebru Umar dan gewoon bedoelt dat je een beetje flauw doet.

Gelukkig is haar landarrest inmiddels afgelopen. Gelukkig, omdat het natuurlijk schandalig is dat mensen worden vastgehouden om het uiten van hun mening – ook als een mening voornamelijk uit opruiende bagger bestaat. En ook gelukkig, omdat ik er er nu niets meer mee hoef. "Een Ebru in Nederland is omgekeerd evenredig interessant aan een Ebru waarvan we niet precies wisten waneer ze terug zou komen," schrijven de betrouwbare mannetjes vandaag in de Volkskrant. En zo is het maar net. (Ook al heb ik het citaat hier dan een beetje uit z'n verband getrokken.)




Maar hee! Wat is hij goed hè!! Ook zo’n zin in vanavond!!??