maandag 30 november 2009

Afknapper

Altijd als ik Keepvogel zie, moet ik aan Harm denken.
Harm (die overigens in het echt niet Harm heet) is een kennis. Een vriend van vrienden; iemand die we op verjaardagen tegenkomen. En Harm is nogal een bijzonder mens. Hij is schrijver en filosoof en - hoewel hij pas 26 is ofzo - immer gekleed in een driedelig zwart pak met een stropdas. Hij lijdt aan voortdurende weltschmerz, is tamelijk rigide in zijn opvattingen, sociaal een tikje onhandig en een grote fan van Schopenhauer én Keepvogel.
Kent u Keepvogel?
Kijk wat ie doet!



Op een dag was Harm verliefd geworden. Op een meisje. En dat meisje, dat was ook verliefd op hem. En nadat Harm natuurlijk eerst even had gevraagd of het meisje wel van Keepvogel hield – ja hoor, dat deed ze – kregen ze een relatie.
Korte tijd waren ze heel gelukkig.
Tot het moment dat ze samen weer eens naar Keepvogel keken en het meisje de tune meezong.
Ze zong: 'Keepvogel....Keepvogel....wat doet ie nou?'

Wat er precies door Harm heen moet zijn gegaan op dat moment, daar kunnen we slechts naar raden. Maar waarschijnlijk zal hij, als door een wesp gestoken, zijn opgesprongen en vol afschuw hebben uitgeroepen: 'Wat doet ie nou?! Wat doet ie nou?! Het is: KIJK WAT IE DOET!'

De eerstvolgende keer dat we Harm zagen, was hij weer alleen.
Ja, ze hadden het nog wel even geprobeerd, maar het werd niets meer.
Hij kon het niet van zich afzetten.
Keepvogel-watdoetienou. Verschrikkelijk. Wat een afknapper.

zondag 29 november 2009

BMI 13,78

We werden in de nacht van vrijdag op zaterdag wakker van Bo, die bij ons in bed kroop. Met buikpijn. En niet zo’n beetje ook, ze lag te kronkelen en te kreunen van de pijn. Alweer: vorige week gebeurde precies hetzelfde. Toen was ik in onmiddellijke staat van alertheid: Buikpijn? Wat voor buikpijn? Heeft ze een buikgriepje? Blindedarmontsteking? Maar nee, geen van beide; ze moest niet naar de wc en de pijn zat niet rechtsonder, maar in het midden, rond haar navel. De volgende ochtend was de pijn over en ik was het ook meteen weer vergeten, eerlijk gezegd.
Maar nu was het dus terug, precies hetzelfde.
Nou is Bo altijd al een buikpijn-kind geweest. Als er iets is, iets spannends, dan klaagt ze over buikpijn. Als ze ergens tegenop ziet: buikpijn. Maar dan wel altijd gewoon overdag. Dit nachtelijke ding was iets nieuws.

Nadat we hadden geprobeerd de pijn weg te masseren en wat in de weer waren geweest met een warme kruik gaf ik haar uiteindelijk een paracetamol, waarna de rust wederkeerde. Maar ik kon de slaap niet meer vatten. Deels kwam dit door Loïs, die inmiddels ook bij ons lag, en die de schattige maar irritante gewoonte heeft om in haar halfslaap voortdurend zachtjes aan mijn haar te trekken. En dat slaapt erg lekker, kan ik u vertellen. Not.
Maar ik lag ook een beetje te piekeren.
Wat was dat nou met die buikpijn?
Toch spanning? Jemig, toch niet voor Sinterklaas?
Of is er iets aan de hand op school? Is ze zenuwachtig voor haar spreekbeurt?
Hee: wat had ze eigenlijk gegeten die dag?
Ik zag weer even voor me hoe ze verveeld met haar vork had zitten prikken in haar avondeten.

De volgende ochtend vroeg ik: Zeg Bo, had jij vannacht niet gewoon hónger?'
‘Neuj.’
‘Weet je dat zeker? Eet jij eigenlijk wel genoeg?’
‘Jaha.’
Ik keek naar ons meisje in haar pyjama. Mager meisje. Dat is ze altijd geweest: lang en dun. Net als haar moeder.
Maar wat ze toen zei.
‘Ik wil niet zoveel eten want ik wil niet te dik worden.’

Mijn nekharen vlogen overeind. En die van Henk waarschijnlijk ook, want zijn stem schoot uit: ‘Dik!? Je bent vel over been! We kunnen je ribben tellen! Wie heeft je dát wijsgemaakt?’
En ik dacht: Mijn god, hebben we iets gemist? Had ik beter op moeten letten? Ze neemt de laatste tijd best vaak een volle broodtrommel mee terug naar huis....
‘Is er misschien iemand in je klas, een vriendinnetje dat zichzelf te dik vindt? ‘ vroeg Henk.
‘NEE! NIEMAND!' schreeuwde ze en rende weg, over de overloop naar haar oude kamer. ‘ALLEEN IK!’
En met een BAM was de deur dicht. Henk en ik keken elkaar in verwarring aan. Is dit onze dochter van zeven? Onze spillepoterige, sprieterige dochter van zeven? Vanwaar deze totaal overtrokken reactie? Wat is hier aan de hand? Eetstoornissen komen toch nog niet voor op zo’n jonge leeftijd? Hoop ik?
Hoe kómt ze aan die ideeën? Niet van mij: ik heb eerder omgekeerd-anorexia: ik weet heus wel dat er nu, anderhalf jaar na mijn laatste zwangerschap, nog steeds ruim vijf kilo aan overtollige vetrolletjes op mijn lichaam zit, toch zie ik in de spiegel altijd gewoon mijn eigen slanke ik. (Hmm, nu ik hier zo over nadenk: das dus net zo goed geen reëel zelfbeeld.)

Het is overigens niet zo dat ik me nu ineens grote zorgen maak, hoor. Ik ga er voorlopig maar vanuit dat het een fase is. Of misschien dat ze het ergens heeft opgepikt (televisie?) en het gewoon zegt uit effectbejag - zeer wel mogelijk ook, Bo kennende. Maar ik ben wel op mijn qui-vive. En ik ga mijn uiterste best doen om - heel subtiel en voorzichtig - deze rare gedachten zo snel mogelijk de kop in te drukken.
Te dik. Tss.
Klik.

donderdag 26 november 2009

Over Katharsis en Woezel en Pip

Je kunt je afvragen: gaat het vandaag de dag nog ergens niet over ‘Komt een vrouw bij de dokter’? Zelfs NRC Next heeft vandaag een foto van Carice-met-hoofddoek op de voorpagina gezet. (En op pagina 3 een vrij droevige recensie, maar dit terzijde.)
Ja, het is me wat: KEVBDD.
Een paar jaar geleden las ik het boek. En ik huilde mijn ogen uit mijn kassen; wie niet. Vooral bij de scène waarin hoofdpersoon Carmen afscheid neemt van haar dochtertje. Vréselijk.
En vreselijk lékker: huilen om een boek, snotteren bij een film.
'Katharsis', noemde Aristoteles dit. Het eigenlijk doel van de tragedie. Door het beleven van eleos (beklag) en phobos (angst) wordt de toeschouwer emotioneel en mentaal gereinigd, ervaart een loutering van de ziel.
Of in gewoon Nederlands: doordat je je (tijdelijk) identificeert met de hoofdpersonen van het boek/ de film/ het theaterstuk voel je het verdriet en de angst alsof het je zelf overkomt, maar je kunt er tegelijkertijd afstand van nemen - het betreft immers niet werkelijk jouw leven – en voila: een opgefriste ziel.
En dat is fijn.
Behalve als het té dichtbij komt, overigens. Als de opgewekte gevoelens te heftig zijn, dan blijft de loutering uit. Dan werkt het niet. Ik heb wel eens ergens gelezen dat iemand het boek van Kluun niet kon uitlezen. Dat ze het in een hoek heeft gemieterd, omdat het te confronterend was: niet zozeer de praktijken van de overspelige echtgenoot, maar puur het feit dat er een jonge vrouw, een moeder van een dochtertje, doodgaat. En omdat ze zelf pas moeder was geworden van een dochtertje, betrof het hier net even haar grootste angst.

Ik had er met dit boek geen last van: mijn dochter was al bijna 6 toen ik het las en blijkbaar gaf dat net genoeg afstand om het meeleven als louterend te ervaren.
Maar ik begrijp het wel: het moet ongeveer zo zijn als hoe ik me voelde toen Guusje Nederhorst overleed. Weet u dat nog? Ik had niet eens bijzonder veel met Guusje, maar het toeval wilde dat wij in dezelfde periode bevielen van een zoontje. En toen onze zoontjes allebei een half jaar oud waren ging zij dus dood. En ik kon daar met mijn pet niet bij.
Ik keek naar mijn eigen kleine mannetje en alleen al de gedáchte dat ik hem zou moeten achter laten, dat ik hem niet verder zou mogen zien opgroeien, nooit zou weten wat voor peuter, kleuter en slungelige puber hij zou worden, alleen al die gedáchte maakte me misselijk van angst.

U begrijpt: ik ga volgende week dus wel lekker een potje zitten janken in de bioscoop bij ‘Komt een vrouw bij de dokter’, maar Woezel en Pip komen er hier niet in.

woensdag 25 november 2009

De verlammende greep van het dilemma

Wellicht is het u niet eens opgevallen, maar ik heb al zes dagen niet geblogd.
Na meester Frans hield het op. Stilte.
Ik had gewoon geen inspiratie.
Dat kan hè. Het overkomt de beste.
Ja.
Okee, dat was het niet.
Ik zal eerlijk zijn, ook al vindt u me waarschijnlijk zometeen een zeurpiet: ik werd volledig in beslag genomen door de vraag of we al dan niet gehoor zouden geven aan de oproep om Loïs te laten vaccineren tegen de Mexicaanse griep. En wat vorige week nog begon als een lichte besluiteloosheid, was langzaam uitgegroeid tot een tweestrijd van formaat. Ik zat gevangen in de verlammende greep van het dilemma.

Tsja, een beetje sneu is dat wel.
Ben ik met u eens.
Ik zei dan ook meerdere malen per dag tegen mezelf: ‘Mens, neuzel niet zo, laat er gewoon zo’n spuit in jassen en get on with your life. Of besluit dat je het niet wilt en get on with your life.’
Maar dat hielp niet. Ik blééf maar zoeken op internet. Las de hele dag de meest uiteenlopende (komplot)theorieen, standpunten van voor- en tegenstanders, adviezen van artsen en wetenschappers. Daarnaast belde ik met vriendinnen (van wie overigens slechts een enkeling mijn twijfels begreep; het overgrote deel had verbazend snel en gemakkelijk besloten haar kroost vooral wel in te laten enten) en sprak ik wildvreemde mensen aan op straat om hun mening te peilen. Af en toe dacht ik dat ik eruit was, om vijf minuten later toch weer meer voor het tegenovergestelde te voelen.
Doodvermoeiend.
Ik ben sowieso al niet zo goed met beslissingen; u kunt zich voorstellen wat er met me gebeurt als ik me bij de besluitvorming moet baseren op een informatiestroom die bol staat van de tegenstrijdigheden.

Alles wat ik nodig had was één argument. Een steekhoudend argument, goed genoeg om de keuze voor een van de opties te rechtvaardigen. Het leek er echter niet op dat ik zo’n argument nog zou vinden. De tijd tikte door en ik betrapte me er al op dat ik begon te hopen dat het arme kind op de betreffende dag verhoging zou hebben en ik me kon beroepen op overmacht.

Maar.
Niet nodig!
Want ik heb toch nog, op de valreep, een argument gevonden!
Poeh. Wat een héérlijk gevoel. Er is zo’n last van me afgevallen! Ik denk dat ik voor het eerst sinds een week weer lekker zal slapen vannacht.

Het feit wil namelijk dat groep 4 gaat schaatsen, aanstaande vrijdag. En Bo heeft onlangs van iemand een paar prachtige ijshockeyschaatsen gekregen, die alleen nog even geslepen moeten worden. En laat het goedkoopste en best bekend staande slijp-adres zich nu net in het sportcomplex bevinden, daar waar de griepspuiten morgen worden uitgedeeld?
Dus.
Als ik toch daar ben....

donderdag 19 november 2009

Frans

Vanmiddag. We fietsen met z’n vijven vanaf de school van Bo naar de onderbouwlocatie om Merlijn op te halen. Bo met twee vriendinnetjes, Loïs en ik.
Nou ben ik een hele leuke en geïnteresseerde moeder, zeker als er andere kinderen bij zijn, dus ik vraag: ‘Meiden, hoe was het vandaag op school? Nog iets leuks gedaan?’

‘Ja, bij Frans was het heel leuk’ begint Bo enthousiast te vertellen, ‘we moesten iets heel moeilijks doen.’
‘Ja, vét moeilijk!’ vallen haar vriendinnen in koor bij.
‘Het was echt vét moeilijk wat we moesten doen, maar ik kon het toch.’
‘En ik ook!’
‘En ik ook!’
‘Maar niet iedereen hoor mam, want verder snapte bijna niemand het!’

‘Goh, wat goed van jullie,’ zeg ik op de automatische piloot, want ik ben inmiddels alweer een beetje afgeleid. Door het drukke verkeer waar ik ons veilig doorheen moet loodsen en de chaos aan gedachten in mijn hoofd: over de folder die ik aan het schrijven ben en waarvan die ene zin nog steeds niet lekker loopt, over zwemles, over Sinterklaascadeaus.
De kinderen praten door en ik geef lukraak verbale respons in de vorm van: ‘Oja?’ en ‘Hm-hm’ en ‘Haha, wat leuk’.

Denk ik ineens: Huh? Fráns? In groep 4!?

In verwarring probeer ik weer grip te krijgen op de conversatie.

Ah.
De gymleraar heet Frans.

woensdag 18 november 2009

It's freakin' MJ (!)

'Veel barbies' had Bo op haar verlanglijstje gezet, dus kocht ik op marktplaats 20 barbies voor 20 euro. Ook Sinterklaas heeft te lijden van de kredietcrisis, nietwaar.
Vanmorgen arriveerde er een doos, waarvan de inhoud mijn stoutste verwachtingen overtrof. Niet alleen waren daar de afgesproken 20 barbies: 19 vrouwtjes en één mannelijk exemplaar (een dude met een surfboard - is dit Ken? Ken Ken surfen?), tevens had de verkopende partij de doos volgestouwd met een collectie kleding, schoenen, zonnebrillen, sieraden en (reis)tassen waar de gemiddelde girlband u tegen zou zeggen.
Maar het allermooiste wat in de doos zat, datgene waarvan mijn mond letterlijk openviel, was een item waar ik in het begin van de jaren '80 een moord voor zou hebben gedaan: een heuse Michael Jackson-pop.

'I'll be damned,' sprak ik bij het openen van de doos - het pièce de résistance lag bovenop - 'it's freakin' MJ.'
En toen verloor ik mezelf. Ik moonwalkte er lustig op los met Michael, sleutelde links en rechts wat aan zijn neus, liet hem hinderlijk gevolgd worden door paparazzi, zijn heil zoeken in de zuurstoftent..... ik was zo leuk aan het spelen, dat ik de tijd vergat.
Beter gezegd: ik negéérde de tijd.
'Ik moet nu Loïs wakker maken, anders ben ik zometeen te laat bij de school,' zei de interne verantwoordelijke moeder. 'Nog even, nog heel even,' treuzelde het kind, want zij snapte dat ik, als Bo en Merlijn eenmaal thuis waren, niet verder kon spelen met MJ. Of dan minstens heel wat had uit te leggen.
Uiteindelijk wist ik me toch los te rukken, nog net op tijd om met goed fatsoen de moeder van een klasgenootje te bellen en te vragen of zij misschien Bo wilde meenemen omdat ik een beetje verlaat was.
Ja.
Altijd drukdruk.


zondag 15 november 2009

Helly sinaasappelsap is bah maar doet het best leuk op sommige foto's




Zo. En dan mag u nu allemaal gaan roepen dat het zo'n schatje is. Met van die leuke krulletjes. En mooie ogen. Kómmaarkommaarkommaar.

zaterdag 14 november 2009

Gesodemijter

Zonder hier verder al te veel op in te gaan: er is in mijn jeugd nogal creatief met de waarheid omgesprongen. Familiegeheimen, doofpot-affaires, de hele rataplan. Enfin. Toen ik eindelijk de onderste steen boven had en – na een eindeloze reeks therapeutische sessies – de feiten en gevoelens mijnes levens op een rijtje, besloot ik, onder het motto: ‘het leven is al ingewikkeld genoeg zonder verhullingen en omwegen’ dat als ik ooit kinderen zou krijgen, ik nooit tegen hen zou liegen.
De waarheid en niets dan de waarheid!
En ja, het zou best kunnen dat ik hierin volledig ben doorgeslagen, maar so be it.
‘Dat vogeltje is dood, lieverd.’
‘Nee, schat, dat is helemáál geen aardige meneer.’
‘Kindjes komen uit mama’s buik. Door een piepklein gaatje. En dat doet HEEL VEEL PIJN.’
Helder. Duidelijk. Geen gedraai om de hete brij.
Mijn credo: je moet kinderen behandelen als gelijkwaardige gesprekspartners.


Er was alleen één dingetje, één klein onbenullig rood dingetje met een baard en een tabbert an, dat ik over het hoofd had gezien.

Sinterklaas.

Met de Sinterklaas-afgeleiden heb ik onmiddellijk korte metten gemaakt. 'De tandenfee? Nee kind, die bestaat niet. Maar ík wil best een euro onder je kussen leggen hoor, als je dat leuk vindt.' 'De Paashaas? Joh, das gewoon de buurman in een pak met ijzerdraad in zijn oren.'
Maar Sinterklaas zelf, daar kon ik niet omheen. Te groot, in Nederland. Te populair. Te zeer ingebed in de samenleving. En je wilt tenslotte geen spelbreker zijn. Je wilt je kinderen niet moedwillig buiten de groep plaatsen. Nee. Dat wil je niet. Ik ben eerlijk en keihard, maar niet gemeen.
Dus.
Van half november totdat de Goede Sint daags na zijn verjaardag weer is afgetaaid (afgetaaitaaid hahah) naar Spanje, verkeer ik in een constante staat van wroeging. Het is een ondraaglijk spanningsveld, tussen een diepgewortelde overtuiging (Must! Tell! Truth!) en het sociaal wenselijk gedrag in deze periode: het spelletje meespelen want-dat-is-zo-leuk.

De tactiek waarmee ik het tot nu toe heb volgehouden? Ik hou me op de vlakte. En van de domme.
‘Kan het paard van Sinterklaas echt over de daken lopen?’ ‘Ja, dat zeggen ze hè? Ik heb het nooit gezien, hoor. Het lijkt mij eerlijk gezegd nogal onwaarschijnlijk.’
‘Hoe weet Sinterklaas altijd precies wat ik wil hebben?’ ‘Dat is knap hè, van Sinterklaas. Je maakt een verlanglijstje en de rest gaat vanzelf!’
En als het te moeilijk wordt: ‘Hoe komt Sinterklaas eigenlijk bij ons binnen? (we hebben geen schoorsteen, red.) En kunnen er zo ook dieven binnenkomen?’ dan hebben we gelukkig Henk nog, met aanmerkelijk minder gewetensbezwaren op dit gebied en immer bereid de vuile klus te klaren. ‘We hebben Sinterklaas onze reservesleutel gegeven.’


Eerlijk gezegd had ik stilletjes gehoopt dit jaar Bo in mijn kamp te kunnen scharen. Gedeelde leugens zijn halve leugens. Zoiets.
Maar nee hoor. Het vijf-decembergebeuren heeft ook voor ons oudste kind nog niets van de heilige glans verloren. Integendeel, blijkt nu het Sinterklaasjournaal is begonnen. Vét in de stress: de stoomboot heeft niet teruggetoeterd naar de tubaspeler op de kade! De stoomboot heeft niet teruggetoeterd! Dat is nog nooit eerder gebeurd! En als de boot nou echt gezonken is? Krijgt niemand dan cadeautjes?

Zucht.
Goed.
Nog één keer dan.
Nog één keer; als Bo en Merlijn volgend jaar nog steeds allebei in Sinterklaas geloven zal ik me genoodzaakt zien te verhuizen naar Grou.

vrijdag 13 november 2009

Censuur

Als u zich afvraagt waar toch het filmpje is gebleven dat hier gisteren nog stond? Weg. Sent back to youtube-country. Ik had het op dit blog gezet omdat ik het zo’n mooi nummer vind. En het clipje leek ook heel aardig, op het eerste gezicht; pas na plaatsing vielen me die afschuwelijke 3 seconden op. Nog even heb ik gedacht te kunnen volstaan met een waarschuwing, maar voor ik ging slapen wist ik ineens: weg ermee. Iedereen heeft zo zijn grens en de mijne ligt duidelijk bij Tsjernobyl-baby’s. Weet ik dat ook weer.


(Wat niet wegneemt dat - inderdaad, Quirk - The Veils geweldig zijn. Af en toe een beetje misselijkmakend, okee, maar dat mag je verwachten van een band met een cd getiteld ‘Nux Vomica’.)

woensdag 11 november 2009

Wat je nog meer met zand kunt doen behalve je kop er in steken

Ik weet het even niet. Vandaag. Gisteren ook al niet. Er is niet echt iets aan de hand; ik loop gewoon een beetje met mijn ziel onder de arm. (Wat een rare uitdrukking eigenlijk? Oh, ik lees net dat het betekent dat ik me verveel. Dat klopt niet. Althans, dat zou niet hoeven: ik heb het razend druk. Lusteloos - dat is wat ik bedoel.)
Maar waarom? Heb ik een herfstdepressie? Komt het door het geouwehoer over die Mexicaanse griep? Doordat we ineens moeten beslissen of we Loïs al dan niet laten vaccineren - en ik het echt niet weet?
Normaal gesproken ben ik met dit soort dingen heel vatbaar voor rationele argumenten, maar die doen het nu niet voor me, om de een of andere duistere reden. En intussen schreeuwt mijn gevoel dat we haar niet moeten enten! Niet omdat ik bang ben dat er een nanochip in mijn kind wordt gespoten (een wát!? Een náchochip?! - hier moest ik heel hard om lachen) maar omdat ik, enerzijds, denk dat mijn kinderen prima in staat zijn een eventuele griepuitbraak te overleven (wat de ouders van de gestorven kinderen misschien ook wel gedacht hebben, maar dit terzijde) en anderszijds omdat ik zo mijn vraagtekens zet bij de veiligheid van het vaccin. Omdat het zo snel uit de grond is gestampt. En omdat ik - om maar eens een hippe kreet te bezigen - de motieven van de pharmaceutische industrie steeds minder vertrouw.
Bovendien denk ik nog steeds - hoewel steeds minder stellig naarmate het langer geleden is - dat ik de Mexicaanse griep al gehad heb, in augustus. En dat mijn gezin er dus al mee in aanraking is geweest en al antistoffen heeft opgebouwd.

Maar vergeet dit allemaal maar weer snel, lieve bloglezertjes.
Want het komt er natuurlijk op neer dat we het toch gewoon doen.
Loïs krijgt die prik.
Want zo zijn wij nou eenmaal. Kuddedieren.
En: Stel je nou toch voor........ en dat we het dan hadden kunnen voorkomen.
Ja.


Iets anders nu.
Iets waarop ik werd gewezen door een vriendin (is dit voldoende bronvermelding, Moniek?): een jonge vrouw die een 'zandanimatie' maakt over de impact van de oorlog.
Amazing.

zondag 8 november 2009

Mess

Plantsoenloop, editie 52

Kijk, ik heb niet zo veel met sport.
Bo wel.
Bo is er goed in, ze is lenig, sterk en snel (we weten nog niet zo goed of we haar op tennis moeten doen, op turnen of op atletiek? Waar is het meeste geld mee te verdienen? Wat zou u adviseren?) en koppelt aan al dit talent ook nog eens de juiste mentaliteit: ze wil winnen.

Gisteren was er de jaarlijkse hardloopwedstrijd in ‘ons’ plantsoen, waar de school van Bo en Merlijn sinds jaar en dag een eigen evenement van maakt, door middel van een gezamenlijke inschrijving en het uitdelen van schoolt-shirts en met een eigen hoofdkwartier waar ranja en broodjes knakworst te halen zijn.
‘Ik wil een beker, mama,’ zei ze toen we haar deelnameformulier invulden. ‘Ik ga gewoon zó hard rennen dat ik win.’ En ze zei dit met zo veel overtuiging dat ik haar zondermeer geloofde.
Henk, zelf ook een hardloper, zou met haar gaan trainen in de herfstvakantie.
Maar toen brak ze haar arm.
Dus van dat trainen kwam niet zo veel terecht - hoewel er toch nog twee keer even is geoefend.

Daar stond ze, gisteren, vooraan in het vak.
Het startschot klonk en wég was ze. Samen met honderden anderen. En ik was - absurd natuurlijk - ineens zo zenuwachtig, ik stond te trillen op mijn benen. Kom op meisje, dacht ik. Kom op, je kunt het.
Na een minuut of vijf kwam het kopgroepje achter de bomen vandaan. En Bo zat erbij!
Ze perste er op het laatst nog een sprintje uit ook.
En toen was het ineens wat onduidelijk. Was ze nou als derde of als vierde meisje over de streep gekomen?
Na controle van de chip bleek dat ze niet bij de prijswinnaars zat.
Geen beker.
‘Ik denk dat je vierde bent geworden’ zei ik.
‘Vierde is stóm!’ Ze was ze zo teleurgesteld. En ik ook. (Vóór haar, niet ín haar natuurlijk; ik was echt retetrots. Op mijn meisje, dat zo hard had gelopen. Met haar gipsarmpje.)

Gisteravond verschenen de uitslagen op internet.
En daar stond het, zwart op wit.
Vierde.




En weet u, vierde is inderdaad stom.
Maar ook heel knap.
En als troost stond er een hele stoere finishfoto online:




Voor u me kunt beschuldigen van oudste-kindverheerlijking: hulde ook voor Merlijn, die zijn persoonlijke record met maar liefst een hele minuut verbeterde. Hulde voor Henk, die in de categorie 45+ op de 4 kilometer een hele respectabele tijd neerzette. Hulde voor alle andere deelnemers en deelnemertjes, die er met z'n allen een sportief gebeuren van hebben gemaakt. Hulde voor het weer, omdat het ondanks alle onheilsvoorspellingen gewoon droog bleef.
Oja. En hulde voor mijn chocoladetaart.

vrijdag 6 november 2009

'Onweerstaanbare Verleiding'

Zo heet de taart.
De naam heb ik niet zelf bedacht (het recept evenmin) maar het is geen woord teveel gezegd. Het is chocola zoals chocola bedoeld is. Het is chocola-keer-10, het is kreunen van genot, het is zoals Nigella zou zeggen like you died and went tot chocolate-heaven.
(Janke, ik begrijp dat ik je verwachtingen hoog span hiermee. En terecht. God, laat de taart ditmaal niet mislukken.)

Goed. Men neme:

- 340 gram chocolade, pure chocolade welteverstaan, met een cacaogehalte van minimaal 70%. Bijvoorbeeld de Tony’s Chocolonely, die met de blauwe wikkel. Want - hoe recalcitrant! - bij Tony’s zit de melkchocolade in de rode wikkel en puur in de blauwe. Gelukkig zit er om de blauwe dan wel weer een geel bandje waarop 72% staat, anders zou je maar in de war raken.
Oh, sorry. Zijsporen zijn natuurlijk dodelijk, in een recept. Ik begin opnieuw.

U heeft nodig:

- 340 gram chocolade, minimaal 70% cacao
- 225 gr roomboter
- 5 biologische eieren
- 210 gram suiker

En wat u óók nodig heeft, heel belangrijk, is de juiste 'bakblikkencombinatie'. Namelijk:

- Een ronde taartvorm van 20 à 24 cm doorsnee (een dichte, dus géén springvorm) én
- een grote ovenschaal/braadslede, waar de ronde taartvorm ruim in past.

En dan:

1. Bekleed de taartvorm met bakpapier.
2. Verwarm de oven voor op 120 graden. Celcius.
3. Brokkel de chocolade in stukjes, smelt de chocolade samen met de boter boven zacht kokend water: au bain-marie. Hoe het komt weet ik niet – waarschijnlijk heeft Marie la Juive, de joodse alchemiste die in de 4e eeuw n.Chr. de techniek heeft ontwikkeld, het gewoon nooit helemaal lekker uitgelegd - maar veel mensen weten niet dat bij au bain-marie de binnenste pan (of kom) niet met het gekookte water in aanraking mag komen. Hij moet er boven hangen. Er niet in drijven. Het gaat erom dat de stoom van het water de binnenste pan verhit. Feitelijk gaat men niet in bad met Marie, maar met Marie in de stoomcabine. Dus.
4. Klop met een mixer de eieren met 70 gram suiker tot het volume verdrievoudigd is.
5. Kook de resterende suiker met 100 ml water tot een lichte siroop.
6. Roer de siroop door de gesmolten chocolade en laat het mengsel enigszins afkoelen.
7. Doe de chocolade bij de eieren en roer langzaam tot een samenhangend geheel.
8. Schenk het in de vorm.
9. Leg een opgevouwen theedoek in een braadslede of grote ovenschaal. Zet de vorm daarop en schenk heet water in de braadslede tot de vorm voor driekwart in het water staat. (Als u heeft opgelet weet u nu: dit heet niet au bain-marie.)
10.Bak de taart in ongeveer 50 minuten tot hij stevig is. Laat hem in het water afkoelen alvorens hem te storten.
(Bron: River Cafe Kook Boek Easy)

NB. Het zal u niet verbazen, maar de taart is nogal machtig. Dus snij kleine puntjes, zeker als het een dessert betreft. Drink er in dat geval een rode Banyuls bij (een portachtige zoete wijn uit Zuid Frankrijk) of - wat ik persoonlijk het lekkerst vind - een oude PX sherry, donker en zoet, met een aroma van rozijnen. Of gewoon een kopje koffie of thee; u weet, ik ben niet van de wijnpolitie.

donderdag 5 november 2009

Alleen dat lonely begrijp ik niet helemaal. Dat is toch geen reclame?


Ter gelegenheid van een etentje dit weekend ( Stop, Janke, niet verder lezen) ga ik mijn fameuze en niet te overtreffen chocoladetaart maken. Hoewel, niet te overtreffen...het zou kunnen dat ie ditmaal toch nog lekkerder wordt dan anders. Want als ingrediënt kocht ik vanmorgen Tony’s Chocolonely, ongetwijfeld de chocolade met het beste verhaal; als u tijd heeft en van chocolade houdt zou u het eens moeten lezen. Over Teun (Tony) van de Keuken van het programma Keuringsdienst van Waarde, die met Chocolonely slaafvrije chocolade garandeert. (Slaafvrij? Hoezo slaafvrij? Slavernij, anno 2009? Ja dus. In Ivoorkust worden honderdduizenden kinderen gedwongen op cacaoplantages te werken. Ze krijgen niet betaald en mogen niet weg. Dat is slavernij.)
Ik zeg: iets dat zo lekker is als chocolade zou niemand ongelukkig mogen maken.

(Ik viel overigens gewoon op de verpakking, hoor. Dat u niet denkt dat ik elk product in de winkel naspeur op de aanwezigheid van een Max Havelaar keurmerk. Zou wel goed zijn, maar nee dus.)


Geprikkeld door mijn eigen verhaaltje van gisteren, liep ik in de supermarkt ook nog éven langs de vla-afdeling. Gewoon, om eens te kijken hoe dat er nou tegenwoordig uitzag, hopjesvla. Ik kon het niet vinden. (Wel zag ik caramelvla en even dacht ik: zou dat tegenwoordig...? neh, dat zal toch niet...?)
Goed. Ik zie daar dus zo’n jongeman die het zuivelvak staat aan te vullen en ik zeg: ‘Hoi. Verkopen jullie hopjesvla?’
Hij: ‘Zeker wel mevrouw,’ en grist met een soepel gebaar een halve literpak uit het onderste schap. ‘Voila!’
Ik: ‘Vies hè.’

woensdag 4 november 2009

Het hopjesvla-mysterie

Het meisje was verhuisd, van de grote stad naar een klein dorpje. Een dorpje waar het meisje de inwoners maar met moeite kon verstaan. Een dorpje, waar de kinderen het meisje met argusogen bekeken.
Maar ook: een dorpje met een SRV-wagen.

Het meisje was dol op de SRV-wagen.
Drie dagen in de week, meestal precies tussen de middag – wanneer het meisje juist uit school was gekomen om een boterham te eten – stopte hij toeterend voor het huis. Je kon er van alles kopen. Fruit en groente, soep in blik, koekjes, appelsap, plakband. Achterin, waar het altijd koud was, vond je de melk en de yoghurt, de kaas en de boter. En de hopjesvla.
Als het meisje het trappetje had beklommen, waarvan de eerste tree heel hoog was, kon ze zien hoe de chauffeur, met een blauw schort aan, opstond van de bestuurdersstoel en plaatsnam achter de kassa. Ze vond hem aardig; hij gaf haar altijd een snoepje en soms mocht ze een stukje meerijden, tot het einde van de straat, als ze zich goed vasthield aan het krantenrek.

De moeder van het meisje deed de meeste boodschappen gewoon in de supermarkt, maar altijd was er nog wel iets nodig van de SRV-wagen: koffie, een pakje boter, hopjesvla. (Het meisje hield heel erg van hopjesvla. Andere toetjes vond ze ook best lekker, maar hopjesvla vond ze het allerlekkerst. Ze was er gek op. Misschien hield er op de hele wereld wel niemand zo veel van hopjesvla als het meisje.)

Op een dag, terwijl haar moeder buiten nog stond te praten met de buurvrouw, klom het meisje alvast de SRV-wagen in. Om een praatje te maken met de chauffeur. En om de hopjesvla te pakken.
Toen ze haar hand in het koelvak stak gebeurde het. Hee. De hopjesvla ziet er anders uit vandaag. Het bekertje heeft nét een beetje een andere kleur, alsof er wat meer geel in zit. En het plastic waarvan van het bekertje is gemaakt lijkt wel een beetje gladder, glimmender.
Het meisje was even in de war, maar vergat het ook weer snel. Want ze moest terug naar school en er waren meer dingen om over na te denken dan de kleur van de beker van de hopjesvla.

‘s Avonds, na het eten, zette haar moeder de toetjesschaaltjes op tafel.
‘Oja, lekker, hopjesvla,' zei het meisje en nam een hapje. Ze schrok.
Ze nam nog een hapje.
En raakte in paniek.
De vla was anders. Er zat een vreemd smaakje aan.
Op slag herinnerde het meisje zich weer wat haar die middag was opgevallen en de ramp drong in volle omvang tot haar door.
Ze hadden de hopjesvla veranderd! Waarom hadden ze de hopjesvla veranderd?
Dikke tranen rolden over haar wangen.
De vader en de moeder van het meisje begrepen het allemaal niet zo goed en zeiden precies de verkeerde dingen: De vla was toch prima? Er was toch niets mis met de vla?
‘Nee, nee, jullie begrijpen het niet!’ riep het meisje.
En ze voelde zich heel eenzaam.

De volgende dag vertelde ze erover op school en keek hoopvol de klas rond. Er zou toch wel iemand zijn die zou zeggen: ‘Inderdaad, je hebt gelijk! De hopjesvla smaakt anders!’ Maar niemand zei iets. Het was niemand opgevallen. Of misschien at niemand hopjesvla, thuis. De kinderen keken haar aan alsof ze van een andere planeet kwam. Gewoon, zoals ze altijd naar haar keken.
Ook de SRV-man, door het meisje persoonlijk verantwoordelijk gehouden voor het drama, begreep niet waar ze het over had. Hij haalde zijn schouders op en moest een beetje lachen.

Vanaf die dag at het meisje vanillevla, frambozenvla en chocoladevla.
Of yoghurt, met een scheutje ranja erin.
Maar nooit meer hopjesvla.
Want nooit meer wilde ze de teleurstelling voelen die ze had gevoeld op die dag: de dag dat de hopjesvla niet meer smaakte naar hopjesvla.

Het klinkt wel een beetje onwaarschijnlijk, vindt u ook niet? Dat de fabrikant, ineens, tegelijkertijd de verpakking én het recept van de hopjesvla zou hebben gewijzigd?
Maar het is echt waar.
Vraag maar aan het meisje.

dinsdag 3 november 2009

Kijk eens wat ik op straat vond!



1. Ik ben bang voor chloor. Voor bleek. Sinds mijn moeder mij als kind eens opdroeg om ‘even die gele fles met die rode dop uit de bijkeuken te halen’. Ik deed wat me was opgedragen en hield daarbij de fles tegen mijn buik geklemd, met als resultaat een witte vlek op mijn prachtige roodfluwelen lievelings-sweater. Of beter gezegd, een niet-vlek. De Glorix had plaatselijk de kleur van mijn trui gestolen. Ik vond dat zó erg! Totale ontluistering. Dat iets daar toe in staat was, dan ging mijn voorstelling te boven. En nog, eigenlijk.

2. Om even bij de chemische middelen te blijven: je kunt me niet gelukkiger krijgen dan als het doucheputje verstopt zit. Want dan mag ik met de Caustic Soda. (Kent u dat, Caustic Soda? En goedje dat zo gevaarlijk is en volgens mij zo slecht voor het milieu, dat ik niet begrijp dat het nog steeds verkocht mag worden?) Ik strooi een flinke scheut korrels in de afvoer, giet er kokend water op. En dan begint het te bruisen, te borrelen. Met een ziedend geweld wordt de leiding schoongevreten, alle haren, alle vetresten verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het is.. magic. Het is.. heerlijk. En na afloop schaam ik me diep.

3. Toen ik een jaar of 8 was had ik iets raars met de stem van Lenny Kuhr. Het was de manier waarop ze de 'r' uitsprak en iets in haar timbre, waar ik 'het' van kreeg; een soort verliefderig gevoel. Ehm ja.

4. Ik heb een serieus autoriteitsprobleem. Het is maar goed dat ik niet voor een baas werk. Als iemand me vertelt wat ik moet doen en wanneer ik het moet doen dan word ik onmiddellijk obstinaat. De middelbare school was wat dat betreft dan ook een vreselijke tijd, die ik heb doorstaan door aan de verplichte dingen altijd stiekem mijn eigen draai te geven. Zo heb ik in mijn eindexamenjaar bloedserieus een spreekbeurt gehouden over kabouters, gebaseerd op het boek van Rien Poortvliet. Ik bracht authentieke opnames ten gehore van een kaboutergesprek (de lp van Paulus de Boskabouter versneld afgespeeld) en liet onder een struik gevonden kabouterschoeisel (een barbie-laars bekleed met konijnenbont) de klas rondgaan.
Het is me gelukt om gedurende de hele spreekbeurt in mijn rol te blijven - ondanks het voortdurend gegiechel van mijn klasgenoten en de kostelijke uitdrukking op het gezicht van de leraar Nederlands (Neemt ze me nou in de maling? Of gelooft ze echt dat kabouters bestaan?) en ik kreeg een negen.

5. Ik moet altijd heel hard lachen om mijn eigen grapjes. Omdat ik ze meestal echt heel erg leuk vind.

6. Ik ben totaal niet stressbestendig. De combinatie van drie kinderen en een beroep waarbij ik te maken heb met deadlines zorgt er regelmatig voor dat ik stapelgek word. Maar ik ben tenminste eigen baas.

7. Ik heb eens een lampje gestolen uit een hotel in Antwerpen. Lang verhaal.

8. (Kopie van een reactie die ik eens gaf op het weblog van Frank) Ik moet elke maandag naar de supermarkt om de boodschappen voor de hele week te doen en ik kan niet naar de supermarkt zonder lijstje. En dan niet zomaar een lijstje, maar een volledig kloppend, precies-op-deze-manier-loop-ik-door-de-gangpaden-lijstje. Ik stuurde Henk eens met mijn lijstje naar de Jumbo en die belde mij halverwege hikkend van de lach op. 'Alles staat op volgorde,' riep hij. 'Ik wed dat als ik nu, zonder te kijken, mijn arm uitsteek dat ik een blikje tonijn te pakken heb.'

9. Ik denk dat het geluk brengt als ik precies om 18:06 naar de digitale klok in de keuken kijk. Omdat 18 juni mijn verjaardag is. En de mooiste datum van het jaar.

Tsja. Het zijn tot nu toe misschien niet echt de bekentenissen waarvan het plaatsvervangend schaamrood u naar de kaken vliegt.
Misschien deze dan?
10. Ik drink elke dag wijn. El-ke dag. Twee glazen. Eén tijdens het koken en één bij het eten. En in het weekend en op feestjes wel eens een glaasje meer.

zondag 1 november 2009

Laat me hier geen spijt van krijgen

Vooruit dan maar. Op uw verantwoording.
En nou niet allemaal gaan roepen dat u het eigenlijk best een mooi lampje vindt, hè.
Want geloof me, dat ligt dan aan de foto.