zondag 31 januari 2010

Where The Wild Things Are


Max en de Maximonsters is hier al jaren een van de favoriete kinderboeken, dus toen ik vernam dat het boek verfilmd werd stond het meteen als een paal boven water dat wij ernaar toe zouden gaan. En helemaal toen ik las dat Spike Jonz (Being John Malkovich!) de regisseur is en het script werd geschreven door o.a. Dave Eggers, van wiens debuutroman a Heartbreaking Work of Staggering Genius ik jaren geleden danig onder de indruk was, was ik niet meer te houden.

Vanmorgen gingen we.
Het is een geweldige film: prachtige beelden, een hartverwarmend verhaal. Voor het ultieme zondagochtendgevoel. De zorgen die ik me nog een beetje had gemaakt om het kijkwijzeradvies (9 jaar en ouder) wat we maar zo’n beetje genegeerd hadden (want hee, lievelingsboek!) bleken onnodig. Het was zeker niet griezelig, of te spannend. En de diepere lagen zijn hen misschien wat ontgaan, maar de film bleek wonderwel te volgen voor Bo en Merlijn. Zelfs in het Engels. Henk wilde af en toe wat aan Merlijn verduidelijken, (ondertitels gaan snel) maar dat hoefde niet: ‘Ik snap het wel hoor. Ik ken het boek toch.’
En dat is best opmerkelijk: het boek beslaat slechts zo'n 15 bladzijden, die de makers dus hebben weten te transformeren tot een complete speelfilm. Een groot gedeelte is derhalve ingevuld (de monsters, de wild things, hebben karakters gekregen, met psychologische ontwikkeling bovendien) maar zonder het boek ook maar het minste geweld aan te doen!
(Het jongetje deed me overigens heel erg aan Merlijn denken. O nee, kreunde ik inwendig al na 5 minuten, nu wil hij natuurlijk ook zo’n wolvenpakje. En piekerde gedurende de rest van de film over wie daarvoor in te schakelen.)
Op het eind van de film, toen ik net mijn tranen wilde wegslikken, voelde ik een handje op mijn been. Ik keek opzij en zag de betraande wangen van Bo. (Mooi hè.)


Genoeg nu. Moet op zoek naar een patroon.




zaterdag 30 januari 2010

A

Het was een vermoeiende dag.
En dat kwam niet eens doordat ik toch naar dat feest ben gegaan gisteravond.
(Ik wou eigenlijk gewoon een beetje chillen. Een beetje onderuitgezakt voor de tv hangen. De finale van popstars kijken. Dus vind ik het persoonlijk best van karakter getuigen dat ik om tien uur nog mijn oorlogskleuren aanbracht en op de fiets stapte om me door de sneeuw naar een kroeg te begeven.)

Weet u nog van het vorige feestje, twee weken geleden? Toen ik niet te veel had gedronken, maar de volgende ochtend toch gestraft werd, met zere voeten en stramme polsen?
Ook ditmaal was 'verstandig' (ik was al om half één thuis en broodnuchter) geen garantie op een frisse en fruitige day after.

Want ik deed bijna geen oog dicht vannacht. Misschien heb ik wel een heel uur geslapen, als ik alle hazeslaapjes optel.
Net toen ik in slaap viel stond Bo naast ons bed. Met buikpijn. Weer eens. (Wat is dat toch?)
Dus ik masseerde haar buik.
Nam haar een poosje bij ons in bed.
Bracht haar terug naar haar eigen bed.
Nam haar opnieuw bij me in ons bed.
Haalde een glaasje water.
Masseerde haar buik nog wat meer.
Verhuisde zelf naar haar bed.
Ging drie keer met haar mee naar de wc.
Verhuisde terug naar mijn bed toen Bo aangaf weer in haar eigen bed te willen.
Djiez, ik heb meer over de overloop heen en weer gewandeld dan met mijn hoofd op een kussen gelegen.

En daar kan ik dus niet tegen hè. Weinig slaap.
Daar word ik labiel van.
Vandaar dat ik vanmorgen dus zat te snikken toen ik mijn zoon zag watertrappelen voor zijn leven A diploma.
En opnieuw toen hij na het afzwemmen ging douchen, uitgleed over de fokking shampoozooi van iemand anders en snoeihard met zijn achterhoofd op de tegels van de douchevloer smakte. En ik grote tranen zag op dat gezichtje dat zoëven nog straalde van trots. (Gelukkig was hij een kwartier later voldoende bijgetrokken om zijn diploma in ontvangst te nemen.)



(Gaat het weer een beetje met uw arm, onbekende zwembadmevrouw met rode trui?)

En oja, het hoogtepunt van de dag (naja, niet heus natuurlijk; dat was het diploma): op de terugweg ( afzwemmen was in Buitenpost, Friesland!) zag ik gewoon mijn eigen blogkop hangen. Nah.




woensdag 27 januari 2010

Sssst, niet verder vertellen


Ik kook nooit met behulp van pakjes en zakjes en mixen en potjes. Niet uit een vorm van snobisme ofzo, maar gewoon. Omdat ik niet goed weet wat ik er mee moet. Waarom ik het nodig heb, wat het toevoegt aan de smaak van verse groenten, kruiden en specerijen.
En okee, ook wel een beetje vanwege mijn ambivalente houding jegens hulpstof E621, (de smaakversterker verantwoordelijk voor het succes van de frikadel en die maakt dat je een zak paprikachips niet weg kunt leggen voor ie leeg is) die in bijna alle kant-en-klare soepen en sauzen is verwerkt.

Dus. Ik kook nooit met behulp van pakjes en zakjes en mixen en potjes. Maar vandaag dan toch. Omdat er zo’n zakje in de kast lag – naar binnen gesmokkeld in een of ander kerstpakket - en ik onwillekeurig dacht: laat ik het eens proberen.
Ovengeheimen. Van Knorr.
Waarin overigens – dat moet gezegd – geen E621 zit.

‘Weet je Merlijn,’ zei ik vanmiddag (just making conversation), ‘we eten vanavond iets heel spannends.’
‘Oja, wat dan?’
‘Een ovengeheim,’ zei ik samenzweerderig.
En ik liet hem het zakje zien.

(Een half uur later vroeg Merlijn: ‘Wat eten we vanavond, mam?’ Om vervolgens, nadat ik hem een tijdje meewarig - mijn standaard gezichtsuitdrukking tegenwoordig tijdens interactie met Merlijn, daar moet ik misschien een beetje mee gaan oppassen, hoewel, het werkt nog steeds – had aangekeken, zelf al met het antwoord te komen: ‘Oja. Dat geheime eten.’)

En toen was het alweer tijd om te gaan koken.
Ik sneed de kip, de courgette, de paprika en de aubergine, wokte alles in de eh.. wok, mieterde de aardappelschijfjes erbij en dacht: dit is toch zo ook al lekker? Met nog een beetje knoflook en wat kruiden? Even overwoog ik om de geheime smaakmaker alsnog in de vuilnisbak te flikkeren. Maar dat zou kinderachtig zijn, of erger: toch snobistisch, dus ik knipte braaf het zakje open. Merlijn keek geïnteresseerd toe terwijl ik op het juiste moment, volgens de gebruiksaanwijzing op de verpakking, het oranjerode poeder bij de verrukkelijke ingrediënten in de pan strooide - een licht gevoel van spijt onderdukkend.

‘Is dát nou het geheim?’ vroeg Merlijn.
‘uh-uh,' knikte ik instemmend.
‘Goh.’
‘Ja.’


En toen moest alles nog in de oven. (Ovengeheimen.)
En toen riep iedereen die de keuken binnenkwam: ‘Wat ruikt het hier heerlijk!’
En toen voelde ik me nógal beledigd.


Oh. Nu wilt u weten of het lekker was?
Ja hoor, het was best lekker.

vrijdag 22 januari 2010

Mijn dochter

‘Wouter had vandaag zijn spreekbeurt,’ zei Bo, terwijl ik mijn tanden stond te poetsen.
En ik dacht: Wouter?

Toen Bo nog in groep 3 zat kende ik al haar klasgenootjes. De meesten waren al vanaf groep 1 met haar meegegaan, immers. Maar groep 4 is op een andere schoollocatie, en is samengesteld uit de groep 3 van Bo en een andere groep 3, van weer een andere locatie. (De school waar Bo en Merlijn op zitten ligt nogal versnipperd over de stad.)
Met die nieuwe kinderen heb ik dus nog steeds een beetje moeite. Dat ik niet zo goed kan onthouden welk gezicht bij welke naam hoort, bedoel ik. Ik doe mijn best hoor, en nu na vier maanden kom ik al een heel eind (lees: de meisjes gaan heel aardig en enkele jongens waar Bo wel eens speelt ken ik ook) maar er zijn er nog steeds een paar die een wat grijs gebied vormen samen. Joost, Sjoerd en Wouter, onder andere. Geen idee wie wie is. Nou vallen die namen wat mij betreft ook al in hetzelfde hokje, dus dat werkt niet mee, maar volgens mij lijken de jongetjes ook gewoon op elkaar.
Enfin.

‘Waarover?’ vroeg ik geïnteresseerd, met volle mond.
‘Over vulkanen en het ontstaan van de aarde.’
Ik spuugde de tandpasta in de wasbak.
Das weer eens wat anders dan de zwarte zwanen in het plantsoen.
‘Zo,’ zei ik. ‘En heb je hem een top of een tip gegegeven?’ (De klas geeft tops (top!) en tips aan elkaar. Das nieuw. Denk ik.)
‘Een top én een tip.’
‘Wat was de tip? Dat hij de volgende keer wel een wat ingewikkelder onderwerp mag kiezen?’
‘Nee,’ zei Bo. ‘Dat hij het allemaal wel wat duidelijker had kunnen uitleggen.’

(....)

‘Ik weet eigenlijk nooit zo goed wie Wouter is,’ zei ik. ‘Is dat die met die grappige vader?’
‘Die met die prikkelige haartjes op zijn wangen bedoel je?’
‘Eh..huh? Nou, weet ik veel, die met dat ronde brilletje.’
‘Nee dat is de vader van Sjoerd.’
‘Oja.. En wie is Joost dan ook al weer? Is dat die met die lange vader? Of is het die met die eh... ene moeder, je weet wel.’ Ik wierp Bo een veelbetekenende blik toe, waar ze heel hard om moest lachen.

‘Weet je,’ zei ik. ‘Ik weet geloof ik niet zo goed het verschil tussen Sjoerd en Wouter en Joost.’
‘Weet je,’ zei Bo. ‘Ik ook niet.’

En daar moest ik dan weer heel hard om lachen.

Een stukje statement


Het staat waarschijnlijk al jaren in de top tien van ergernissen in de Nederlandse taal, maar wat mij betreft kan het zo naar nummer één: het oeverloze gebruik van het woord ‘stukje’, voorafgaand aan niet-stoffelijke zelfstandige naamwoorden.

Het was een stukje zelfbescherming, weet je wel. Gewoon een stukje afweer, vanuit een stukje integriteitsbewaking.

Mijn haren rijzen ervan te berge.
En hoe verontrustend: toen ik zojuist VanDale.nl raadpleegde op zoek naar bijval zag ik tot mijn verbijstering en afschuw dat het woordenboek er ook al mee vergiftigd is: daar staat het, zwart op wit: een stukje verantwoordelijkheid.

Nou, ik vind het niet kunnen.
Ik ben er tegen.

Een stukje angst. Een stukje vrijheid. Een stukje mededogen, een stukje betrokkenheid, een stukje berusting, een stukje acceptatie, een stukje evaluatie, en stukje historie, een stukje folklore, een stukje toekomst, een stukje verstrooiing, een stukje zelfverloochening, een stukje begrip, een stukje inleving, een stukje zingeving, een stukje verwerking (oef, das misschien wel de ergste) een stukje erkenning, een stukje herkenning, een stukje ontkenning, een stukje teleurstelling, een stukje beïnvloeding, een stukje statement (monsterlijk! Gisteren gehoord), een stukje jeugdsentiment, een stukje moraal, een stukje fatsoen, een stukje normen- en waardenbesef, een stukje normen- en waardenverval, een stukje integriteit, een stukje beleefdheid, een stukje agressie, een stukje boosheid, een stukje geilheid, een stukje zelfbevlekking, een stukje zelfbeschikking, een stukje antisemitisme, een stukje moslimhaat, een stukje sociaalvoelendheid, een stukje verdraagzaamheid, een stukje rechtvaardigheid, een stukje (zelf)vertrouwen, een stukje wantrouwen, een stukje tegendraadsheid, een stukje welwillendheid, een stukje inzet, een stukje doorzettingsvermogen, een stukje TE-VRE-DEN-HEID. BAH!


Ik blijf erbij. Stukjes moet je kunnen vastpakken. En opeten, eventueel.

Een stukje worst.
Een stukje kaas.
Een stukje uit je neus.
Een stukje van de Berlijnse muur.
Een stukje vloerbedekking.
Een stukje glas, hout, metaal, boomschors.

Ja en een stukje tekst natuurlijk. Ligt misschien een beetje op de grens van mijn definitie – want niet per se tastbaar – maar het kan wel. Een stukje tekst. En een stukje muziek, dat kan ook.

Maar een stukje emotie? Ieuw.

Een stukje taart? Lekker.

dinsdag 19 januari 2010

Waar ik best wel een schijthekel aan heb

Het gebeurt dikwijls dat ik in de supermarkt, tijdens het doen van de wekelijkse grote boodschappen (je zou bijna denken dat het verband houdt met de benaming van betreffende bezigheid) naar de WC moet.

En ik vraag me af: zouden er nou meer mensen zijn die dit hebben?
Je leest er eigenlijk nooit iets over.
(Maar dat zegt niks. Ik had bijvoorbeeld ook nooit gelezen dat je na een bevalling wekenlang met maandverband ter grote van de zaterdagkrant in je onderbroek moet rondlopen. Terwijl dat toch echt zo is. Er zijn kennelijk nog steeds dingen waar mensen niet graag over praten, maar dat betekent niet dat ze er niet zijn. Sterker nog: volgens mij kun je het zo gek niet verzinnen of er is wel iemand op de wereld die het herkent. Daarom durf ik dit logje ook te schrijven. )

Toen ik een kind was had ik het altijd al in de bibliotheek. Als ik met mijn hoofd schuin - teneinde de titels op de kaften te kunnen lezen - langs de boekenkasten schuifelde, dan moest ik steevast poepen. Ja. Is raar hè.
Het is het ‘besluiteloos drentelen’ dat op mijn darmen werkt, blijkbaar.
Gelukkig stonden er in de bibliotheek overal van die krukjes. Daar ging ik dan op zitten - dat hielp – en ik kon mijn zoektocht naar zes leuke boeken zonder problemen vervolgen.
Maar ja: ik kan moeilijk bij de kassa van de Jumbo gaan vragen of ze misschien wat krukjes willen plaatsen in de gangpaden, opdat ik en mijn eventuele lotgenoten ontspannen kunnen gaan zitten twijfelen tussen spaghetti, spirali of penne en niet meer met samengeknepen billen bij de pindakaas toetjes, de ontbijtgranen of het vriesvak hoeven te staan stressen. Nouja, wat niet kan. Maar ik doe het niet.

Voor er zich overigens bepaalde taferelen voor uw geestesoog gaan afspelen: ik heb een stevige vertrouwensrelatie met mijn kringspier, dus het loopt altijd goed af. Haha, moet ineens denken aan een vriendin die ooit ten tijde van hoge nood (dat was trouwens ook in een winkel, zie je wel) in paniek naar mij siste: ‘hij geeft al kopjes...!’
Zo erg is het gelukkig meestal niet. Maar irritant, dat wel.

maandag 18 januari 2010

Ik haal je op ik neem je mee


Het overkomt me wel vaker – en ik beschouw het als een goed teken; voor mij is een boek dan geslaagd - dat ik aan het eind, na de laatste zin, na het laatste woord in tranen uitbarst. Dat is denk ik ook wat iedere schrijver bewust of onbewust nastreeft, dat een boek een dusdanige spanningsboog heeft, dat het hele verhaal, de totale emotie die gedurende het lezen wordt opgebouwd, dat alles bij elkaar komt in die allerlaatste punt.
Er zijn ook boeken waarbij je het al eerder niet droog houdt en zelfs boeken waarbij je doorlopend zit te snikken, dat vind ik jammer. Een goed verhaal zorgt er voor dat dat niet gebeurt, omdat het daarvoor geen adempauze laat. Pas na de laatste afsluitende woorden is er ruimte voor ontlading.

Of. Weet ik veel.
Misschien huil ik wel gewoon omdat het boek dan uit is.


Hoe dan ook, gisteravond gebeurde het me. Bij Ik haal je op ik neem je mee. Van Niccolò Ammaniti. Verschenen in 2004, onlangs opnieuw uitgegeven. Ik vond het prachtig. Het boek leest als een film, om maar eens met een cliché te wapperen. Een film die overigens zowel door Tarantino, David Lynch als Vittorio De Sica geregisseerd zou kunnen zijn. Het is romantisch (in a desperate way), grappig (in a cynical way), het is grof en echt en rauw, met veel tagliatelle en weinig hoop voor de mensheid. Het tilt je op, het sleept je mee. En dat er op de flap staat dat het het lievelingsboek is van zowel Kluun als Herman Koch neem je op de koop toe.


Lees mee met een van de vele mooie passages.

Voor de stationsbar stapte Gloria van haar fiets. Pietro’s fiets stond niet tussen die in het fietsenrek.
Stel je ook voor dat hij hier was.
Ze was doodmoe, had het warm en had vreselijke dorst. Ze ging de bar binnen. De airco stond op de hoogste stand en koelde haar zweet ijskoud af. Ze kocht een blikje cola en ging dat buiten onder de parasol opdrinken.
Ze maakte zich zorgen. Grote zorgen. Dit was de eerste keer dat Pietro niet op haar wachtte. Dat moest wel betekenen dat het erg slecht met hem ging. En in die toestand zou hij misschien gekke dingen doen.
Zich ophangen bijvoorbeeld.
Waarom niet?

Ze had dat in de krant gelezen. In Milaan was een jongen blijven zitten en uit wanhoop was hij van de vijfde verdieping gesprongen en omdat hij toen nog niet dood was, had hij zich naar de lift gesleept met een spoor van bloed achter zich aan en was hij naar de zesde gegaan en daar was hij weer gesprongen en toen was hij gelukkig wel dood.
Was Pietro in staat tot zelfmoord?
Ja.

Maar waarom was het voor hem zo verdomd belangrijk om over te gaan? Als zij was blijven zitten had ze daar natuurlijk wel van gebaald, maar ze had er geen drama van gemaakt. Maar voor Pietro was school altijd zo belangrijk geweest. Hij hechtte er veel waarde aan. En van een teleurstelling als deze kon hij gek worden.
Waar zou hij kunnen zijn? Natuurlijk.......wat stom dat ik daar niet eerder aan heb gedacht.
Ze dronk in één teug haar blikje cola leeg en stapte weer op haar fiets.

zondag 17 januari 2010

.... en als bonus een filmpje met rucola in de hoofdrol

(Proloog)
Gisterochtend ontwaakte ik met een vreemde pijn in mijn rechterpols. Een pijn die erger werd als ik iets oppakte en ondraaglijk werd bij het maken van een bepaalde draai van mijn hand.
Raar, dacht ik. Had ik er misschien verkeerd op gelegen? Of was dit nu.....RSI? (Ik zit maar 18 uur per etmaal met mijn hand op een touchpad, dus dat kan dan toch haast niet?)


*

Gisteravond hadden we een feest.
In een café.
En ik beging een gruwelijke fout. Ik wilde naar het feest mijn nieuwe, überhippe, supercoole door 90% van de mensen onbegrepen harembroek aan. Drollenvanger. Broek met het kruis tussen de knieeën. U weet wel.
En nee, dat was niet de fout. Hoewel 90% van de mensen dat wellicht met mij oneens is.
Bij het schoeisel, daar ging het mis.
Ik besloot – voor het feestelijke effect – mijn zwarte hoogehakte enkellaarsjes aan te doen. Die ik drie jaar geleden eens had gekocht en eigenlijk nog nooit had gedragen. En ik weet nu waarom.
Toen ik ze aantrok dacht ik al: oei. Maar ik dacht tegelijkertijd: het lukt wel. Kwestie van even wennen. Een beetje inlopen. Een paar biertjes en ik voel die voeten niet meer, of hoogstens nog een beetje. Wie mooi wil zijn moet pijn lijden. En meer van dat al.
Nou, mooi niet.
Na een paar uur op het feest te hebben gestaan en dansend de pijn te hebben verbeten ging het niet meer.
Ze. Moesten. Uit.
Dus ik danste verder op sokken. (Het vergt even een andere mind-set, maar dan kunnen sokken ook best feestelijk zijn.)

Op een bepaald moment gingen we weg. Naar een soort van afterparty, bij de ‘feestgevers’ thuis. Dus ik propte mijn voeten rücksichtlos weer in de gewreekte laarsjes. My God. Alsof ze 5 maten te klein waren! Het was onvoorstelbaar hoe ik eerder die avond nog had kunnen denken dat ik het wel zou redden. Ik strompelde over straat. Ik hinkte, ik zwikte, ik schuifelde. Kermend.
Drink ik een keer niet te veel op een feestje, heb ik dit.
Tot overmaat van ramp moest ik ze ruim een uur later, na (op kousevoeten, duh) bij een knapperend haardvuur te hebben gezeten, nógmaals opnieuw aantrekken.
‘Ik doe het niet, ik ga wel op sokken door de sneeuw,’ riep ik. Maar dat mocht niet. Van men. Want ik zou maar ziek worden. En gehoorzaam als ik ben... enfin. De terugweg (achterop de fiets bij Henk hoor, niet dat u denkt dat ik het hele eind moest lopen – dat had echt niet gekund) was een hel. Ik wilde maar één ding: laarzen uit en naar bed. En dan lekker een beetje wiebelen met mijn tenen onder de dekens.

Maar dat viel tegen. Het verlossende gevoel waar ik zo naar had verlangd kwam niet. Blijkbaar had ik de laarsjes echt één keer te vaak opnieuw aangedaan. De pijn bleef. Wiebelen met mijn tenen was onmogelijk; het voelde alsof ik een dag lang over een spijkerbed heen en weer had gelopen. Pas na een half uur zakte de pijn wat en viel ik in slaap.
For about half an hour. Want toen werd Loïs wakker.
Ik sprong automatisch uit bed en liep de drie stappen naar haar bedje om haar op te pakken.
AAAAAARGH! Excruciating pain! AAAARGH!
Alsof iemand de ballen van mijn voeten met een mes aan het bewerken was. (De ballen van mijn voeten??)
Verschrikkelijk.
Goed.
Uiteindelijk viel ik dan echt in slaap.
En toen ik vanmorgen wakker werd - herinnert u zich de proloog nog? - merkte ik dat nu niet alleen mijn rechterpols, maar ook mijn linkerpols pijn deed. Nah, dacht ik. En ook: jeuh, geen RSI maar gewoon reuma.

En toen herinnerde ik me mijn voeten. En ik probeerde ze voorzichtig te bewegen.
Dat ging en vol goede moed zette ik mijn benen op de grond.
Shit.
Mijn voetzolen waren gekneusd, leek het wel. En rood en gezwollen bovendien, bleek bij nadere inspectie.
Op de zijkant van mijn voeten waggelde ik naar de douche: auauauauau.
Ik draaide de kraan open: auauauau.
Mensen, ik leek wel een oud wijf. Met pijn in mijn handen en pijn in mijn voeten.
Heb ik een keer geen kater na een een feestje, heb ik dit.

Maar was het een leuk feestje?
Ja, het was een leuk feestje.

Hier, voor mij persoonlijk, een van de hoogtepunten:

woensdag 13 januari 2010

NK-08-PH

Ik heb iets met vervoermiddelen. Met bijzondere, afwijkende vervoermiddelen. Ik ben niet zomaar zo gek op mijn fiets, natuurlijk. En wat betreft auto’s: lange tijd waren er maar drie auto’s die ik een blik waardig gunde: de Mini, de Kever en de Eend. Oja, en het Volkswagenbusje.
Inmiddels is dat wel een beetje bijgesteld; er zijn meer vierwielers waarbij ik mezelf wel achter het stuur zie zitten, maar ik ben nog steeds verzot op rare voertuigen: busjes die met behulp van zelf getimmerde interieurtjes omgetoverd kunnen worden tot camper, Engelse dubbeldekkers, antieke brandweerwagens – ooit heb ik eens een lift naar Amsterdam gekregen van twee jongens met een oude ambulance: dat was gaaf – en oude vierkante Volvo's.

Toen ik mijn rijbewijs had gehaald kocht ik een Austin Mini. Oftewel, de helft betaalde ik zelf, de andere helft betaalden mijn ouders; het beste cadeau dat ik ooit heb gekregen.
Acht jaar - van mijn 18e tot mijn 26e - heb ik er in rondgereden. Mee geleefd, beter gezegd. We waren onafscheidelijk. Waar ik ging, ging die Mini. We hebben zoveel samen meegemaakt! Om maar iets te noemen: drie verhuizingen, twee studies, drieëneenhalve verkering, twee keer liefdesverdriet, een bruiloft, een ongeluk, drie keer zonder benzine, 1 gebroken remleiding. Zijn bodem heeft bezaaid gelegen met lege pakjes Barclay, een korte tijd met lege pakjes kauwgum en daarna weer met pakjes Marlboro. Hij heeft van alles op zijn dak gedragen, mij van een heleboel A’s naar B’s gebracht en we hebben vele, vele reizen gemaakt. Half Europa hebben we doorkruist! Tot er bijna 250.000 kilometer op de teller stond.

Een Mini (en dan bedoel ik dus het oude model hè voor de duidelijkheid, van die nieuwe modellen van BMW heb ik geen verstand) is echt, dat vind ik nog steeds, de beste kleine auto ooit gemaakt. Je kunt er enorm mee scheuren - niet voor niets heeft een Mini meer dan eens de Rally van Monte Carlo gewonnen - omdat het zwaartepunt zo laag ligt dat hij gewoonweg niet kan omvallen, hoe hard je ook door de bocht gaat. Bovendien is het een kleine auto met relatief veel ruimte: ik heb meerdere malen zeer comfortabel passagiers van ruim 2 meter lengte vervoerd, die in elke andere auto met hun knieeën naast hun oren en hun hoofd tegen het dak hadden gezeten.
Ook wat betreft bagageruimte had het kleine 'koekblikje' veel meer te bieden dan je zou verwachten, dat bleek als we op vakantie gingen. Aangekomen op de plaats van bestemming was het een bezienswaardigheid als we gingen uitladen - gelijk die goocheltruc met de ketting van zakdoekjes waar geen eind aan lijkt te komen. Hele campings liepen uit om te kijken wat er in de godsnaam allemaal uit dat kleine autootje kwam! Twee mensen, een hond, twee gitaren, een accordeon, een tent, een luchtbed, een butagasding, een pannenset, een barbecue, tassen met kleren, slaapzakken, een krat met levensmiddelen...

Zucht. Zonder moeite kan ik het gevoel oproepen. Ik hoef me maar even te concentreren en ik weet weer precies hoe het stuur aanvoelde, hoe het autootje rook, waar de knopjes allemaal zaten, hoe ver je de choke moest uittrekken in de winter, hoe stroef de koppeling ging...ik mis hem. Het gevoel van vrijheid dat hij me gaf.


Voor u in verwarring raakt van de foto’s: eerst was ie zilvergrijs, later - de langste tijd - zilvergrijs met (100) bloemetjes (die ik er zelf op had geschilderd) en nog weer later zwart, nadat we (Henk en ik) hem volledig hadden gestript, alle roestplekjes hadden weggeschuurd en opgevuld en hem opnieuw hadden laten spuiten.






Deze stroll down memory lane is overigens niet geheel zonder schuldgevoel. Want ik had hem beloofd, dat als hij ooit zou overlijden, ik hem als bloembak in mijn huis zou zetten. Of als televisiekastje. Of hem zou ombouwen tot tweezitsbank.
En dat heb ik niet gedaan. Want hoe dat gaat: op een bepaald moment hadden we een busje nodig voor ons werk. en toen heb ik hem verkocht. Met heel veel pijn in mijn hart en - 12 jaar* later - nog immer spijt.


* Edit 13 oktober 2015: Inmiddels 17 jaar later.

zaterdag 9 januari 2010

Kinderfeestje

En zo stond ik vanmiddag tijdens het kinderfeestje van Bo op een verlaten tankstation, te proberen bij windkracht 8 een lege sisi-fles te vullen met ongelood 95, terwijl Henk, hemelsbreed zo’n twee kilometer van mij verwijderd, op de ‘vluchtstrook’ zat te hopen dat geen van de voorbijrazende auto’s zijn linkerbuitenspiegel eraf zou rijden.


Een half uur eerder had ik in de achteruitkijkspiegel van het autootje van oma, waarin ik met 3 kinderen en Anna-Maria onderweg was naar de skihal om daar overdekt te gaan sleeën – we waren er bijna - geconstateerd dat onze eigen auto, waarin Henk reed met aan boord nog eens 5 kinderen, plotseling wel heel erg achterbleef op de ringweg. Sterker nog: het leek wel of hij stilstond..?
‘Ik geloof dat de andere auto kapot is,’ sprak ik tot mijn passagiers en meteen schoot ik in de koelbloedige modus. Hier hadden we een situatie die moest worden opgelost. Mijn hart ging sneller kloppen, mijn brein sneller denken, alles stond op scherp. *Kuch*
‘Wat nu? Wat nu?’ riep ik in paniek tegen Anna-Maria en was al zo half en half van plan de auto aan de kant te zetten en tegen het verkeer in te rennen om poolshoogte te nemen.
'Breng mij met de kinderen naar de skihal, rij terug, zet de andere kinderen over in deze auto en breng ze ook bij ons, dan zorg ik dat het feestje kan beginnen en kunnen jullie dat met die auto regelen,' zei Anna-Maria.
Thank God for Anna-Maria.

Net toen ik het plukje kinderen had afgezet en via allerhande verboden u-turns de plek probeerde te bereiken waar de auto van de radar was verdwenen, ging de telefoon.
'Ik sta zonder benzine,' zei Henk.
'Ja,' zei ik. 'Ik dacht al zoiets. Maar ik ben er bijna.'
En toen ik er was hevelden we de kinderen over, volgens plan. (Wat een leuk gezicht moet zijn geweest. Die kinderen, die één voor één, begeleid door ons, door de besneeuwde berm van de ene auto naar de andere renden.)
Daarna kwam mijn koelbloedige modus toch nog echt op gang. Als een ware MacGyver reed ik, nadat ik de tweede lading bij de skihal had gelost, naar het dichtsbijzijnde tankstation (een onbemande pinpomp) om te ervaren dat een fles voltanken met behulp van een trechter gemaakt van een opgerold a4tje, niet mogelijk is zonder de mouwen van je jas en je sjaal onder de benzine te gieten. Of in elk geval niet met half bevroren vingers.
Toen ik de voor drie kwart gevulde fles achter in de auto zette, ging de telefoon opnieuw. 'Je raadt het nooit,' zei Henk, 'maar er stopt hier net toevallig iemand van de wegenwacht.'
'Stuur hem weg,' riep ik. 'Ik heb de rekening van de anwb niet betaald en ik kom er al aan, mét benzine!' (Ja dáhag, ik zou daar een beetje door de eerste de beste automonteur mijn reddingsactie laten verpesten. Ik had mezelf niet voor niks met benzine overgoten hè.)

Henk – mijn held - kwam met de wegenwachtman overeen dat hij slechts (gratis) naar een parkeerplaats werd gesleept. Alwaar ik hem vond en hem de fles gaf om in de tank te legen. En na nogmaals - maar nu samen - naar het tankstation te zijn gereden voor nog wat meer brandstof, waren we nog net op tijd voor de afsluitende patat en ranja.

Volgens mij was het wel een leuk feestje.


vrijdag 8 januari 2010

'Een beetje dom maar ja daar gaat het niet om'

Er waare eens twee zwarte zwanen. die leefde in het Noorderplantsoen.
En ik doe mijn spreek beurt hier over om dat ik heel digt bij het plantsoen woon.

Maar op een dag.
Was het vrouwtje doot gegaan. aan een klem in het water.
Maar de andere wist dat naturlek niet en zwanen kunen niet zonder hun vrouw of man.
En je bechrijpt ook wel dat het manetje.
Heel verdrietig was.
En toen ging hij zoeken.
Overal en op en dag.
Zag hij zijn spiegel beeld in een
Outo glas.
Toen was hij zo blij.
Dat hij er naar toe liep.
En toen was hij over reeden.
Een beetje dom maar ja daar gaat het niet om.
Hij was wel dood.
Een paar maanden laater kwamen er weer twee niewe zwarte zwanen.
En die waren heel gelukig.
Tot op een dag.
Werd er een door een hond gebeeten.
En toen heben ze de andere ook maar weg ge haald.
En er komen nooit meer zwarte zwanen meer
In het plantsoen.
Ijnde.

woensdag 6 januari 2010

;)



Kijk.
Dit is nou de kledingkast van Bo.
Ik dacht: die laat ik even zien.

Zo en nu weer verder zoeken naar Loïs. We zijn haar al de hele avond kwijt.

maandag 4 januari 2010

Ook de kerstgedachte heeft een houdbaarheidstermijn


Afgelopen zaterdag deed ik boodschappen, en merkte na het afrekenen dat ik verzuimd had mijn lege-flessenbonnetje in te leveren. Dat gebeurt wel vaker. Dan bewaar ik het bonnetje voor de volgende keer. In mijn portemonnee. Soms lever ik een hele stapel bonnetjes tegelijk in. Enfin. Bewaren had nu niet zoveel zin, want ik was niet in ‘mijn eigen’ supermarkt. Ik was in een supermarkt waar ik nog nooit eerder was geweest en waar ik waarschijnlijk nooit meer zal komen. Dus wat nu? Voor de sigarettenbalie stond zo’n lange rij wachtenden dat ik de gedachte om daar alsnog mijn euro te innen onmiddellijk verwierp. Een half uur in de rij staan voor een euro gaat zelfs mij te ver. Bovendien zaten op de parkeerplaats mijn man en kinderen te wachten in de auto.

Dus. Ik besloot. Mijn lege-flessenbonnetje. Weg te geven.

Okee, (sarcastische toon AAN) een vrij gedurfde actie zo in de kerstperiode, in de tijd van naastenliefde en delen en verdraagzaamheid (sarcastische toon UIT) maar ja: weggooien is ook zo wat. Dat doe je niet, geld weggooien. Nee.

Terwijl ik de vrieskou instapte keek ik speurend rond of ik ergens een dakloze zag, met een straatkrant of een accordeon (die ik dan voor de duidelijkheid wat muntjes én het bonnetje had toegestopt. Niet dat ik van plan was mijn straatkrant te betalen met een flessenbonnetje.) Was er niet. Goed. Een willekeurig iemand die de winkel in ging dan maar.

‘Hallo meneer, u gaat boodschappen doen zie ik, wilt u mijn flessenbonnetje hebben dat ik vergat in te leveren? Nee? Oh.' 'U dan mevrouw? Nee? Oh.’
‘Meneer ik heb mijn bonnetje niet ingeleverd bij de kassa. Wilt u het hebben? Eh..hallo....meneer?’
Nou wérkelijk. Alsof ik vroeg of ik misschien even op hun hoofd mocht poepen.
‘Neenee,’ zeiden ze allemaal. ‘Neenee.’ Met zo’n afwerend gebaar van hun handen.

Ik liet me natuurlijk niet zomaar uit het veld slaan. Maar wie ik ook aansprak, iedereen reageerde alsof ik een vreselijk oneerbaar voorstel deed. Een eindje verderop doken mensen weg achter een sliert winkelkarretjes, ik zag ze denken: nee hè, nou komt dat griezelige mens met dat papiertje onze richting op, help!

JA! Ik probeer iets weg te geven, mensen. DAS ENG HÈ!

Nouja, inmiddels was ik vermoedelijk ook wel een beetje eng. Frántic was ik.
Ik had verdomme beter in die rij voor die balie kunnen gaan staan, dat had me naast mijn euro een aanzienlijk minder slecht humeur opgeleverd.

Mijn schouders ophalen, het briefje met een achteloos gebaar in mijn zak steken en onverrichter zake naar de auto lopen, was uiteraard allang geen optie meer. Nee, ik moest en zou iemand blij (blij! blij!) maken met dat klotebonnetje. Al moest ik het door iemands strot duwen.

En dat is precies (nouja, ongeveer precies) wat ik deed.
‘Wilt u mijn flessenbonnetje,’ blafte ik naar een heerschap dat zojuist zijn fiets op slot zette. En schreeuwde er onmiddellijk achteraan – doch pas nadat ik de bekende afwerende blik en de licht verontschuldigende trek om de mond ontwaard had: ‘JAWEL! JAWEL! Dat wilt u wel! Kijk. Hier. Voor u. Alstublieft.’ En ik propte het bonnetje in zijn hand, draaide me om en beende naar de auto.

Terwijl ik instapte zag ik nog net vanuit mijn ooghoek hoe hij het papiertje tot een propje frommelde en in de sneeuw gooide.


Laat januari maar beginnen.
Ik ben er klaar voor.

zondag 3 januari 2010

Jasje zoekt meisje

Kijk, dit vind ik dus het leukste winterjasje van de wereld. Niet omdat het zo’n kek getailleerd modelletje is, met zo’n tof logo op het linkervoorpand, maar er zitten tulpen op, mensen, rode en gele tulpen! Een echt Nederlands jasje! Van Franse makelij, dat dan weer wel.
Ik kreeg het afgelopen zomer, van een (erg leuke) mama (met een erg leuke camping) wier (erg leuke) dochtertje niet meer in het jasje paste.




Maar toen het winter werd, bleek Loïs óók niet in het jasje te passen.
Niet zo gek, aangezien op het label ‘6 maanden’ staat. En Loïs deze winter al 19, 20 en 21 maanden is. Ik kreeg het jasje inderdaad precies een jaar te laat. En dat had ik in principe meteen kunnen opmerken, maar in al mijn hebberigheid (tulpjes!) had ik blijkbaar even geen oog voor maatvoering.

Maar dus.
Nu ligt het jasje in een doos.
En het jasje is veel te leuk om in een doos te liggen.
Eerst dacht ik nog: ik stuur het naar haar. Of naar haar. Voor volgend jaar. Maar ja, zul je net zien: krijgen ze allebei een jongetje. En bovendien ligt het allerleukste winterjasje dan alsnog déze winter, die goed bekeken pas twee weken aan de gang is, in een doos.
En daar is het jasje veel te leuk voor. Maar dat zei ik al.

Dus.
Anyone?
Eventueel maak ik er een verloting van.
(En mocht u nou de gelukkige zijn, dan kunt u het volgend jaar alsnog naar haar sturen. Of naar haar.)