woensdag 31 maart 2010

'Au nek, au nek,' riep Loïs


Een van de ergste dingen die je kunt doen als moeder: het tere velletje van het halsje van je kind tussen de rits van haar jas trekken.

Ik maak er verder maar geen woorden aan vuil.



maandag 29 maart 2010

Witte tulpen en wokjesdag

Naast onze voordeur staat een plantenbak. Of hoe heet zo’n ding, een planten eh..pot.
Met een roos erin. Een rozenstruik, stokroosding. (Sorry, ik heb geen groene vingers, om maar eens een understatement te gebruiken.)
Maar in die plantenbak dus, in de aarde naast de roos, heeft iemand twee witte plastic tulpen gestoken. Een paar maanden geleden, toen er overal sneeuw lag. En niet alleen in onze pot, maar in alle plantenbakken op het plein hier.
Geen idee wie het deed. Een van de buren waarschijnlijk. Of het was iets politieks, heb ik ook nog even gedacht, met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen. (Had D66 niet ooit iets met witte tulpen?)
Eigenlijk maakte me niet uit. Het stond wel gezellig en zoals u weet hou ik wel van mysteries. Bovendien kwamen ze goed van pas op een ochtend, een paar weken geleden. Toen Bo – we wilden juist op de fiets stappen - verschrikt uitriep: ‘Oja, de juf is vandaag jarig! En iedereen neemt een cadeautje mee!’ en ik een staaltje moederlijke flexi-creativiteit kon laten zien waar je u tegen zegt, door met een nochalant tadaa-gebaar de witte tulpen uit de pot te plukken.
Ze waren dus weg, maar sinds vorige week hebben we ineens weer nieuwe. Drie dit keer!
Er is een witte tulpen-verspreider actief.
Leuk hè.


Ander ding. Dat Lois een wonderkind is dat weet u inmiddels wel. Maar ik ga u er toch nog even verder mee vervelen. Ze praat, namelijk. En niet een los brabbelwoord zo hier en daar, maar gewoon, ze praat! Als in hele zinnen. Met verstaanbare woorden. En grammatica. En voorzetsels.
Zo zei ze bijvoorbeeld, gisteravond, na een tijdje peinzend naar de lucht te hebben staan staren: ‘De maan is achter de wolken.’
Vanavond zei ze: ‘Ik wil niet in bad, ik wil onder de douche.’
In bad. Onder de douche. Achter de wolken.
Ze begrijpt voorzetsels en hun conceptuele inhoud.
Vink knap.
Wat niet wegneemt dat er nog wel enkele letters zijn waar ze moeite mee heeft. Met de r aan het begin van een woord bijvoorbeeld. Zo zegt ze niet 'rokje', maar 'wokje'.
En dat zegt ze nogal vaak, want Lois wil niets anders aan dan jurkjes of rokjes.
‘Zullen we vandaag maar eens een broek aandoen, Loïs?’
‘Nee, wokje.’
‘Maar deze broek, kijk dan, dat is toch een hele leuke broek?’
‘Nee, wokje.’
Voor Loïs is het iedere dag wokjesdag. Hoewel, mét een maillootje, dus dat kwalificeert weer niet voor Martin Bril’s wokjesdag. Die van mij wel eens mag aanbreken, maar dat terzijde.

Oja, nog zoiets. (U mag afhaken hoor.) Toen ik haar vorige week naar oma bracht, fietsten we langs een bloemenkraam en besloot ik een bosje rozen te kopen, voor mijn moeder. Dus ik leg de bloemen bij Loïs in de bak en we fietsen verder. Zegt ze: ‘Even een vaasje zoeken. Even een vaasje zoeken.’
Hè? Bizar! Die zin heb ik namelijk echt nog nooit gebezigd in mijn leven. (Ik heb niet zoveel met bloemen, en planten enzo, weet u nog? Behalve dan buiten, in de natuur.) Soms is er natuurlijk wel eens iemand die bloemen voor me meeneemt. Op mijn verjaardag, ofzo. Maar dan zeg ik dus nooit: ‘Even een vaasje zoeken.’ Ik zeg hoogstens: ‘Even Henk roepen, want die weet hoe dat moet, met dat schuin afsnijden enzo.’
Ze moet het dus op een van de oppasadressen hebben opgepikt. Wat heel wel mogelijk is, want ik bracht haar vorige week – geheel tegen mijn gewoonte in – elke dag naar een (andere) oppas. Omdat ik veel tijd moest inruimen voor een klus met een strakke deadline. Zo dat ik ongestoord kon doorwerken. Like not. Alleen maandag heb ik wat kunnen doen, daarna liep ik vast omdat er cruciale informatie ontbrak. Die evenwel elk moment zou kunnen komen. Dus zo zat ik de hele week een beetje uit mijn neus te eten. Met een schuin oog op mijn mailbox. En het andere oog verlangend naar buiten, waar de zon scheen en waar de oppas met mijn kind in het park zat.
(Mij maken ze niet meer gek, dacht ik. Dus deze week krijg ik het pas écht druk, maar ik heb geen oppas geregeld. Ha! Living on the edge.)
Overigens kon ik vandaag nog steeds niet verder. Dus toen de schoonmaker kwam (en Loïs sliep) zette ik hem aan het werk in de keuken en verschanste ik me in mijn kantoor, om twee uur lang bubbles te spelen op mijn iphone.

vrijdag 26 maart 2010

Mosselbabyvis

Loïs heeft vele nicknames. Zo luistert ze o.a. naar Lo, Lootje, Poppedijn, Poppekop, Polleke, Loisepois, Lohues, Wiske en Simonenkipskie.
En naar Lola natuurlijk, zoals Henk haar steevast noemt. (Een daad van kinderachtig verzet tegen het feit dat de nummer 1 van zijn namenlijstje niet verder is gekomen dan de tweede ronde.)

De eerste maanden na haar geboorte heette Loïs hier ‘de mossel’.
Ik weet niet eens meer wie hiermee begon. Merlijn, denk ik. Of Henk. Of misschien was het wel Anna-Maria.
Hoe dan ook, het paste wonderwel en iedereen nam het over. Zelfs oma. Het klópte gewoon echt; Loïs-de-baby had iets heel mosseligs over zich. (Waarbij u zich - zeker wanneer u gruwt van mosselen - waarschijnlijk niet zoveel kunt voorstellen. Maar neem het maar van mij aan.)

‘Ha die mossel,’ klonk het als er iemand langs de box liep. En dagelijks hoorde je dingen als: ‘De mossel, die slaapt zeker?’ ‘Heeft de mossel al een schone luier gekregen?' en ‘Neem jij de mossel nog even op schoot, dan doe ik de afwas.’

Misschien was het voor Bo en Merlijn ook wel een prima manier om te wennen aan de nieuwe situatie. Nee, er was niet ineens een nieuw kindje, van wie ernstige concurrentie te duchten viel, we hadden gewoon een móssel. Een mossel waar we met z’n allen voor moesten zorgen.
Binnen de kortste keren werd ‘mossel’ door Merlijn overigens verbasterd tot ‘mossel-baby-vis’. (Mosselbabyvis? Het is echt opmerkelijk hoe snel je went aan rare woorden.)
En met mosselbabyvis kwam er ook meteen een nieuw lied in ons leven. Dat - op de melodie van Mary had a little lamb - als volgt ging:

Kleine mossel-baby-vis, baby-vis, baby-vis
Kleine mossel-baby-vis, weet jij wel wie dat is
(ja dat is..)Kleine mossel baby-v... nouja, en zo verder dus.
Dat zongen we dan met zijn allen, meestal in de auto. Keihard.
Vond ze leuk, de mossel.


(Okee. Vrij suf eigenlijk dit. Another peek into our sad little life.)
Anyway.
Waar wilde ik naar toe met dit verhaal?
Oja. De mossel mag dan al anderhalf jaar verdwenen zijn, maar soms, héél soms, komt ze nog eventjes terug. Als Loïs in een bepaalde houding ligt te slapen. Dan is ze er weer, de mossel. Mosselbabyvis.

Edit 15:59. Op verzoek van Toaske. Ter visualisatie.
Mosselig, niet?

dinsdag 23 maart 2010

Nog even over dat van gisteren

Het houdt de gemoederen hier nog flink bezig. En wat me de laatst dagen heel erg is opgevallen, is dat (mijn) kinderen er vanuit een andere invalshoek naar kijken. Vanuit het kinderperspectief. Logisch natuurlijk, maar ik had me het gek genoeg niet gerealiseerd.

‘Denk je dat ze nu nog steeds huilen?’ vroeg Bo gistermiddag, doelend op de vier kinderen die verweesd zijn achtergebleven.
‘En wie maakt er nou vanavond eten voor ze?’

In het nu. Zoals kinderen leven.

Ze loopt er intussen maar behoorlijk mee te worstelen. Ze heeft al drie brieven geprobeerd te schrijven aan het jongetje dat ze kent, maar vond het telkens niet goed genoeg.
In een van de laatste briefjes stond de zin: ‘Ik hoop dat je gauw weer op school bent en ik hoop dat jullie papa snel uit de gevangenis komt.’

Dat raakte me nogal. Wij volwassenen zijn toch (denk ik? Ik wel) eerder geneigd te denken: welke reden er ook toe heeft geleid en alle eventuele verzachtende omstandigheden ten spijt, die man heeft zijn vrouw doodgestoken voor de ogen van zijn dochtertje; die moet voor jaren en jaren de bak in.
Maar zo ziet Bo dat dus niet. Dat hij zoiets vreselijks heeft is in haar beleving blijkbaar ondergeschikt aan het feit dat hij hun vader is en voor hen moet zorgen.
(En dan vraag ik me toch vanzelf even af - hoewel het totaal niet mijn plaats is en ik geen enkele grond heb om hierover iets te veronderstellen – zou dat voor die kinderen ook zo zijn?)

Vanuit grote-mensenoogpunt zit ik vooral met gedachten als: hoe moet het nu verder met die kinderen, hoe gaan ze dit ooit verwerken? Niet, denk ik dan. En blijf vervolgens met een verlammend gevoel van machteloosheid zitten dat nergens toe leidt.
Dan is die benadering van Bo eigenlijk nog helemaal zo gek niet: als er eerst maar iemand zorgt dat ze vanavond te eten hebben.


Vandaag hield een jongen uit haar klas een spreekbeurt over Haïti, waar hij vandaan komt. Hij vertelde dat er dagelijks mensen werden doodgeschoten en dat hij constant bang was.
En ook daar denkt Bo nu over na.
Wat een verschil met mijn lagere-schooltijd. Het heftigste wat ik heb meegemaakt was dat een vader van een schoolgenoot tijdens het rietdekken van het dak viel.

maandag 22 maart 2010

Aangeslagen school

Gisteren las ik dit bericht op nu.nl.

Jaja, dacht ik. Dat steekt maar, dat vermoordt elkaar maar. Zelfs op de eerste dag van de lente.
Toen wist ik nog niet eens wat ik nu weet, namelijk dat het slachtoffer de moeder was van vier kinderen die allemaal bij Bo en Merlijn op school zitten (in groep 1, 5, 6 en 8) en de dader hun vader.
En dat het jongste kind - zo'n schattig meisje - van het drama getuige was.

Ik heb de school nog nooit zo aangeslagen gezien.

woensdag 17 maart 2010

Tipje voor je blog: pont d'amour

Ja, dacht ik vandaag. Waarover dan nu weer te bloggen?
Moet ik iets met Milly?
Met buurmannen in het algemeen?
Met de politie-die-je-beste-vriend-is?

Een blik op mijn telefoon bracht uitkomst.
Ha! Kijk aan. Ik hoefde niets met Milly, noch met buurmannen in het algemeen, noch met de politie!
Ik had namelijk een sms gekregen, mensen. Met een tip. Een anonieme tip, om toch een beetje in Milly-sferen te blijven. De sms was verstuurd vanaf een onbekend telefoonnummer en kan dus van iedereen afkomstig zijn. (Want als je op dit blog doorklikt naar mijn bedrijfje en vervolgens naar contact, dan vind je daar zomaar mijn mobiele nummer, blabla etc.)

Goed.
De tip.
Dit stond er:

Tipje voor je blog: pont d' amour

Hetgeen bij mij vele vragen opriep.
Ten eerste (dus): wie is de afzender?
En verder: Wat is een pont d’amour?
Wat heeft de afzender met een pont d’amour?
Waarom denkt de afzender dat ik iets zou kunnen toevoegen aan dit onderwerp?
Wat is hierbij het belang van de afzender?
Betreft het hier een test? Win ik iets, als ik een bijzonder interessant en smeuiig stukje over een pont d’amour schrijf?
Nogmaals: wat is een pont d’amour? Een.... liefdesbrug? Is het de bijnaam van die ene brug over de Seine, waar ik in een verleden wel eens een amoureuze ervaring heb beleefd? (Mijn God..het is toch geen sms van....?)

Ik richtte me maar eens tot mister google.
Aha. Een pont d’amour. Het bestaat. Het is een ding. Een tussenstuk om de kloof tussen twee matrassen te overbruggen. Ook wel 'matraswig' genoemd. En zo ziet het eruit:




Waarschijnlijk vindt u me nu heel dom, maar ik had werkelijk geen idee. Wij hebben namelijk gewoon een heel matras. Van 1.60 m. aan één stuk. Dat wilden we destijds omdat we zo’n hekel hebben aan zo’n hinderlijke spleet. Die we natuurlijk wel kennen, van bedden in een hotel, of een vakantiehuisje. Waar we dan altijd handdoeken in proppen.

Maar goed. Een pont d'amour dus. Op zich best wel een term die hoge verwachtingen schept, vind ik. But maybe that's just me.
En ik vrees ook dat de persoon die me de sms stuurde wel enigszins teleurgesteld zal zijn over dit epistel, maar meer kan ik er echt niet van maken.

Sorry.
(Zal ik je anders even bellen? Ik heb je nummer.)

maandag 15 maart 2010

Niks te melden maar toch zin

Dat heb ik weer: heb ik ontzettende zin om te bloggen, weet ik niet waarover.
Ik heb even niks. Geen spannend avontuur, geen anekdote over Merlijn.
Ja, ik heb foto’s.
Maar ja: alwéér foto’s.

Ik kan u natuurlijk vertellen dat ik uit eten ging zaterdag. Hier.
En dat het heel erg leuk en heel erg lekker was.
En ik kan vertellen dat we zondag gingen zwemmen.
‘Met het hele gezin een keer naar het zwembad,’ wilden Bo en Merlijn al heel lang.
Het hele gezin. That includes me. En daarom duurde het een beetje lang voor het er eens van kwam.
Want ik haat zwembaden.
Met van die kleedhokjes. En natte mensen. In badpakken. En zwembroeken.
Begrijpt u me niet verkeerd, ik hou heel erg van zwemmen. Als het warm is.
Van functioneel zwemmen hou ik. Mijn lichaam laten afkoelen. In de zee, in een snelstromende beek, in een meertje, of zelfs in een zwembad: een buiten-zwembad.
Maar zo’n overdekt tropisch zwemgebeuren, dat vind ik vreselijk. En tropisch my ass: ik heb het er altijd koud. (Wat misschien een beetje mijn eigen schuld is, omdat ik altijd vrij snel in het warmste (kinder)bad beland. En daarna krijg je me dus met geen stok terug het koudere water in en is er niets anders te doen dan onder de warme douche gaan staan).

Maar heel eerlijk. Het was best geinig, zo met het hele gezin naar het zwembad.
Nee. Echt.

En op de terugweg werd ik gebeld met de vraag of Bo en ik mee gingen bowlen. (?!)
En ook dat was best geinig. Ik had de slag meteen te pakken (dat wii-en heeft me geen windeieren gelegd.) Recht door het midden gooide ik. En hard!
Hoewel dat me ook weer niet bepaald naar de overwinning leidde. Want hoe mooi recht die bal ook steeds ging, steeds bleven er twee van die rotkegels staan. Eentje links en eentje rechts. Zodat ik dus ook met geen mogelijkheid een spare kon gooien met worp 2. (Worp? Heet dat worp? Bij bowlen? Raar woord, als je dat vaak achter elkaar leest. Worp worp worp. Wojp.)

Goed. En toen was het alweer vandaag en deed ik boodschappen.
En de schoonmaker kwam.
(Hysterisch:) Oja! oja! Ik heb u nog iets niet verteld!
Ik heb actually toch iets te melden!
Ik heb, rapaa rapaa, een schoonmaker.
Een man. Een poetsman.
En hij is werkelijk fantastisch. (Mits ik hem precies vertel wat hij moet schoonmaken, dan. Want het blijft natuurlijk een man hè. Het is niet zo dat hij zelf ziet waar de etensresten liggen het stof ligt. Maar dat komt voor een controlfreak als ik nog niet eens zo slecht uit.)

Hoe ik aan hem gekomen ben is wel enigszins genant, eigenlijk.
God, ga ik dit vertellen?
Nouja, toe maar.
Het is namelijk de schoonmaker van mijn moeder.
Een paar weken geleden kwam hij volgens afspraak bij haar binnen. ‘Wat zal ik vandaag aanpakken? De badkamer? De keukenvloer?
‘Het huis van mijn dochter,’ sprak mijn moeder, terwijl ze haar autosleutels uit haar tas pakte. ‘Kom, we gaan.’

Wat een lef hè.
Mijn moeder van bijna tachtig.
Een beetje stiekem regelen dat mijn huis wordt schoongemaakt. Terwijl ik niet thuis ben.
Ik had het makkelijk kunnen opvatten als bemoeienis van de ergste soort en heel erg boos kunnen worden. Als het niet zo grappig was.

Nu heb ik dus een schoonmaker.
We delen hem, mijn moeder en ik.
De ene maandag komt hij bij haar, de andere bij mij.
Ik heb een schoonmaker.
Die vandaag de houten luxaflexdingen in de slaapkamer heeft schoongemaakt. En de kastdeuren. En de badkamer. En de wc. En de ramen heeft gelapt.
In twee uur tijd.
I hit the jackpot.

donderdag 11 maart 2010

De tandenfee, dat ben ik


Bij mijn pogingen het aantal verplichte leugens die onvermijdelijk horen bij het opvoedingsproces tot een minimum te beperken, is iets gruwelijk misgegaan.
Weet u nog wat ik zo’n drie maanden geleden schreef over Sinterklaas? Dat ik uit sociaal wenselijke overwegingen bereid ben dat spel mee te spelen, maar bij wijze van compromis het bestaan van de kerstman, de paashaas en de tandenfee direct naar het rijk der fabelen heb verwezen?
Ik had daarbij zorgvuldiger te werk moeten gaan, zo bleek gisteren.

‘Weet jij eigenlijk,’ zei vriendin AJ, die tevens de moeder is van een vriendinnetje van Bo en van een vriendje van Merlijn (heel praktisch), ‘dat Merlijn denkt dat jij de tandenfee bent?’

‘Ja,’ zei ik lachend, ‘hij bedoelt dat hij weet dat ik het ben, die een euro onder zijn kussen leg als hij een tand wisselt.’

‘Neenee,’ zei AJ, ‘hij denkt dat jij DE tandenfee bent.’

Ze had hem even daarvoor vanuit een naastgelegen kamer horen praten tegen haar zoontje, toen deze – zo begreep ze – hem de jampot met muntjes had laten zien die zijn melkgebit hem tot nu toe had opgeleverd.

Dat geld heb je van mijn moeder gekregen’ had Merlijn gefluisterd. ‘Mijn moeder is de tandenfee. Maar ik weet eigenlijk niet of ik dat wel mag vertellen.’
‘Echt waar?’
Ja. Echt. Mijn moeder is de tandenfee. En daarom moet ze ’s avonds heel vaak weg.’

Hè?
Oh! Ja: dat had ik inderdaad gezegd. Dat ik de tandenfee ben. Me niet realiserend dat mijn metafoor letterlijk zou worden opgevat.
‘Wees maar niet bang,’ had ik hem gerustgesteld, toen hij een tijdje geleden schoorvoetend zijn eerste melktandje onder zijn kussen schoof. 'Er komt heus geen vreemd vrouwelijk wezen je kamer in zweven vannacht, om je tand op te halen. Want ik ben de tandenfee, ik kom je als je slaapt een muntje brengen. En je tand zal ik laten liggen, goed?'

Wow.
Mijn zoon denkt dat ik de tandenfee ben.
Zijn moeder vliegt ‘s nachts als een soort van supergrover door de lucht, van slaapkamer naar slaapkamer, om overal ter wereld melktandjes te verzamelen. Wat vét!


Ik zie nu al op tegen de dag dat hij ontdekt dat ik een heel wat minder avontuurlijk dubbelleven leid.

dinsdag 9 maart 2010

Waar ik momenteel van droom




1. 'Onze' stacaravan. Briljant in al zijn 'eightieness'. En van alle gemakken voorzien natuurlijk.
2. Daar rechts achterin, in die hangmat, daar lig ik. U ziet alleen een paar benen met zwarte slippers, maar dat ben ik dus. Ik schommel lichtjes en lees een boek.
3. Onder de hangmat zit Loïs, daar nog maar net een jaar oud, in haar romper op de grond, ultiem gelukkig takjes en torretjes te eten.
4. De slingers hangen er vanwege de zesde verjaardag van Merlijn.
5. De wandelwagen diende voornamelijk als pakezel. Om dingen mee van boven naar beneden te vervoeren en weer terug. (Wat ik misschien even moet uitleggen, want u denkt nu: boven? Beneden? Goed. De camping in kwestie bestaat uit een 'boven' en een 'beneden'. De eigenlijke camping, daar waar de tenten en caravans zijn en de sanitaire voorzieningen, is boven. Beneden is de bar, het zwembad en het meertje. Beneden woon je, met andere woorden, en boven slaap je. Eigenlijk net als in de meeste huizen.)
6. Het bedje van Loïs deed voornamelijk dienst als buitenbox. En als verblijfplaats van Purk.
7. Een lege wijnfles. (Of, om met Guus Meeuwis te spreken, een lege fles wijn.) Niet heel interessant verder, maar dan weet u even dat dat de plek was. Voor de lege flessen.
8. De waszak hing aan de uitzethaak van het badkamerraampje. Zo mogelijk nog minder interessant, maar ik vertel het even voor het geval u erg nieuwsgierig bent naar wat er toch in die geheimzinnige tas zit. Het had ook visafval kunnen zijn, tenslotte.

Zucht.
IK WIL VAKANTIE! IK WIL 30 GRADEN! IK WIL LICHTJES SCHOMMELEND EEN BOEK LEZEN!

Nog 4 maanden.
En dan zijn we weer daar.
Niet in die geweldige stacaravan, overigens, maar gewoon in onze eigen tent.
Die ook best nogal eh.. camp is.


maandag 8 maart 2010

Taarse vies!

Terwijl ik zit te wachten op een vijftal telefoontjes (van huisarts, wanbetaler, opdrachtgever die me informatie moet verschaffen over te schrijven advertorial, adviesbureau voor de startende ondernemer, mijn moeder) denk ik: kom, ik zet even een spetterend filmpje op mijn blog.



Zo mogelijk nog leuker, maar jammerlijk net niet op het filmpje, was dat ze vervolgens volledig over de flos ging toen ze de modderspetters ontdekte. Módder, op haar lievelingslaarsjes!
('Taarse vies! Taarse vies! Ooooh, taarse vies!'
)


Bonus: een tweetal plaatjes in de categorie 'Mag dat?'



Edit 14.00: dokter belde. "Niets verontrustends. Ijzer beetje laag, witte bloedlichaampjes beetje hoog (daar doelde assistente op) maar alles binnen de marges. Advies: voorlopig aankijken, zorgen dat ze goed eet en goed slaapt. Bij hernieuwde twijfel naar kinderarts."
Volgens mij is Bo gewoon hard aan de lente toe. Net als ik.

vrijdag 5 maart 2010

Hoe een wanbetalende opdrachtgever en een onhandige opmerking van de doktersassistente je weekendgevoel danig kunnen verpesten

Ik blog nooit over mijn werk.
Nouja, ik roep wel eens iets over deadlines.
Of dat ik het zo druk heb. En ook schreef ik een keer over hoe ik werd uitbetaald in schoenen.
(Of twitterde ik dat?)
Hoe dan ook, mijn werk is iets waar ik niet over blog.
Want dat lijkt me wel zo professioneel.
Maar nu wil ik toch even wat werkgerelateerd klagen. Ik heb namelijk last van een slechtbetalende opdrachtgever. Hij staat bij me in het krijt voor een aanzienlijk bedrag, een bedrag dat ik inmiddels heel hard nodig heb. Want ook al heb ik dan een heel aardig uurtarief, zo veel uren werk ik niet per week. Gemiddeld dan. Ik heb hele drukke periodes, maar ook rustige weken. En dat is ook precies de bedoeling, gezien het gegeven dat ik ook zorg ook voor drie kinderen. Fultime.
Goed. Ik stuurde dus een herinnering. En een aanmaning. En ik mailde. En ik belde. En ik belde nog eens. En zo langzamerhand begin ik het idee te krijgen dat ik een beetje aan het lijntje wordt gehouden.
En dat vind ik niet fijn hè.
Nee.
Dat frustreert me. Ik word er boos van. En verdrietig. En dan zeg ik wel tegen mezelf zegt Henk wel tegen me dat ik me daar niet door moet laten pakken, omdat het nou eenmaal dingen zijn waar je tegenaan loopt als kleine zelfstandige, blabla. Maar dat helpt niet.

Ja.
En dan nog iets.
Ik belde vandaag met de dokter en kreeg de assistente aan de lijn, die me vertelde dat de uitslag van het bloedonderzoek van Bo nog niet volledig binnen was. Er miste nog een uitslag en die komt waarschijnlijk maandag.
‘Die uitslagen die al wel binnen zijn, hoe zijn die?’ vroeg ik. Dus eigenlijk is het mijn eigen schuld.
Waarop ze antwoordde: ‘Ja, daar zijn wel wat afwijkende waarden te zien. Maar hoe we dat moeten interpreteren weten we pas als we de uitslag van maandag hebben. De dokter zal u wel even bellen.’

Dus daar moeten we nu drie dagen mee doorkomen. Met afwijkende waarden.

Hoewel dat natuurlijk ook weer niet meteen van alles hoeft te betekenen. Ze zijn namelijk niet per se zo van de, hoe zeg je dat, voorzichtige, bij onze huisartsenpraktijk. Ik herinner me nog hoe mijn huisarts tijdens mijn laatste zwangerschap paniekerig aan de telefoon hing nadat ze de uitslag van mijn bloedonderzoek had gekregen: er was iets mis met mijn schildklier.
Nou, er bleek eigenlijk niks aan de hand. Na de bevalling was alles gewoon weer normaal.
Dus.

Dus.

Oja. En ik heb ook nog hoofdpijn. Want het sneeuwt weer.

Het sneeuwt weer.
Boehoe.

dinsdag 2 maart 2010

Buikpijn - een vervolg

De dagen van Bo staan momenteel weer in het teken van de buikpijn. Zo zielig, vind ik het.
En ik weet het ook inmiddels echt niet meer. Spanning? Dingen op school?
Nee: het gaat goed op school. Ze vindt het leuk, heeft veel vriendjes en vriendinnetjes, niks aan de hand. Dat is het gewoon niet. Volgens mij.
Maar wat dan wel?
De tijd dat ik heb gedacht dat ze misschien te weinig at, is ook voorbij: ze eet juist hartstikke veel tegenwoordig! De hele dag heeft ze honger. En maar broodmager blijven, intussen. Ik vind het raar.
Vandaag zijn we maar eens naar de dokter gegaan. Dat had ik misschien wel al eerder moeten doen, maar ja, het leek me zo’n vage klacht. Ze heeft geen koorts, haar ontlasting is normaal, bovendien komt buikpijn bij kinderen heel vaak voor en wordt er zelden iets gevonden. Het ging ook steeds vanzelf weer over. Tot nu toe dan, want nu is het er bijna continue.
Arm kind.

Na het bezoek aan de huisarts gingen we naar het lab, om bloed te laten afnemen.
(filmpje gemaakt met de camera rechtop: hard habit to break)



Haha, de prikmevrouw vroeg of ik even de arm wilde vasthouden als de naald erin ging. Shit dacht ik, want ik stond al met mijn camera in de aanslag, daar gaat mijn filmpje. Dus ik zei: ‘Nee hoor, dat lijkt met niet nodig. Bo trekt heus haar arm niet weg.’
Wat ik natuurlijk nooit gezegd had als ik dat niet zeker wist.
Ik ken namelijk niemand die zo dapper is als Bo.
Écht niet. (Bij de tandarts staat ze ook bekend als een soort zevende wereldwonder. Tweemaal moest er helaas een kies worden getrokken. De laatste keer was dat nogal een gedoe. Lag ze bijna een uur in de stoel, er moest wel vijftien keer worden bijgeprikt want de verdoving werkte niet goed en vervolgens kreeg de tandarts de kies niet uit haar kaak. Dus dat duurde maar en duurde maar. En terwijl ik als toeschouwer bijkans gek werd, lag Bo daar dus gewoon, gaf geen kik, huilde niet. Om toen ze eindelijk met een mond vol bloed en watten mocht opstaan, iets te mompelen als: ‘nou, dat viel best mee hè.’)
Enfin.


En nu maar hopen dat er iets uit het bloedonderzoek komt.
En nu maar hopen dat er niets uit het bloedonderzoek komt.
En nu maar hopen dat die stomme buikpijn snel weg is en weg blijft.


Het is overigens niet allemaal kommer en kwel: tussen de pijn door is er tijd voor kunstjes: klik

Edit 3-3: Ik moet van Bo ook nog deze link geven. Zodat u kunt zien dat ze het ook zonder hulp kan. Maar dat begreep u natuurlijk al lang.

maandag 1 maart 2010