vrijdag 20 november 2015

Over hypocrisie en project N


‘Oh, je moeder is overleden aan kanker gisteren? En daar ben je nu verdrietig om? Ja, logisch. Maar ik vind het wel een beetje hypocriet; ik heb je geen traan zien laten om de dood van je overbuurvrouw, vorige week. Dat was óók erg, toch? Misschien nog wel erger. Want zij was pas 45 en je moeder was 78.’

Oké, dit is een totaal absurd voorbeeld van een gesprek dat waarschijnlijk nooit zal plaatsvinden.

Maar het is in principe hetzelfde als wat er momenteel aan de hand is op internet. Het is ineens – sinds de dag na de verschrikkelijke gebeurtenissen in Parijs – heel hip om mensen die blijk geven van hun afschuw en medeleven (door bijvoorbeeld hun profielfoto te verfransevlaggen), om de oren te slaan met het verwijt dat het nógal kortzichtig is om tegelijkertijd niet óók stil te staan bij de aanslagen op andere plekken in de wereld, zoals bijvoorbeeld in Beiroet.
Want dat is ook erg, hoor!

Ja, dat klopt. Dat is ook erg. Net zo erg.

Maar dat we daar minder van slag van raken, is niet hypocriet, of kortzichtig, maar gewoon menselijk.
Dingen die dichterbij gebeuren, zowel letterlijk als figuurlijk, hebben meer impact, doen meer met je. Dat gaat vanzelf. Zo zijn we geprogrammeerd. Het is ook perfect biologisch te verklaren: naarmate gevaar of narigheid dichter bij is, zul je meer emoties ervaren. Die zijn bedoeld om je in staat van paraatheid te brengen, om jezelf en je naasten te beschermen. Als iets verder weg is voelen we het minder.
En dat is maar goed ook, anders zou iedereen elke dag lopen te huilen, immers; er is altijd wel ergens iemand net gestorven aan kanker, er is altijd wel ergens een ramp gebeurd, er worden altijd wel ergens onschuldige mensen vermoord.

Maar als je dus wél ergens verdrietig over bent, is het bizar dat andere mensen gaan zeggen dat dat niet mag, of dat het stom is, omdat je dan óók verdrietig moet zijn om iets anders!
Dat is veel te rationeel!
Het zijn twee verschillende dingen: je kunt aan de ene kant met je hoofd concluderen dat iets heel erg is, maar verdriet, angst en heftige verontwaardiging zijn gevoelens. Die besluit je niet te hebben, die overkomen je.
Jemig, Parijs, man! Dat is slechts vijf uur rijden hiervandaan. De meeste mensen zijn er waarschijnlijk wel eens geweest. Het is gewoon dichtbij. En dat schokt. En je beseft ineens dat het zomaar ook in Rotterdam kan gebeuren.


(Een andere discussie is of de media de zwaartepunten misschien wat eerlijker zouden moeten neerleggen. Dat ze objectiever zouden moeten zijn en minder selectief bericht moeten geven. Maar hiervoor geldt in feite hetzelfde. Want kort door de bocht, kranten willen kranten verkopen, dus brengen het nieuws dat de mensen willen lezen.)


Waarom leg ik dit eigenlijk allemaal uit hè, want dit begrijpt toch iedereen, zou je denken.
Maar het blijkt dus van niet, op de social media.
Het is werkelijk bij de beesten af.
Het lijkt wel of er een soort vloek over ons is neergedaald, een vloek die verdeeldheid zaait.

Ga maar eens uurtje op Twitter grasduinen, je wordt helemaal gek!
Wat een kibbeltoestand.
Wat een lelijk geschreeuw.
Of het nou over zwarte Piet gaat, of over vluchtelingen, of over een Franse vlag over je profielfoto, niemand gunt elkaar het licht in de ogen.
Iedereen is elkaar aan het overtuigen van zijn eigen standpunten – of daar nou goed over nagedacht is of niet.

Natuurlijk zijn er absoluut belangrijke issues waarover gediscussieerd moet worden.
Maar komaan zeg, doe een beetje relaxed. Choose your battles. Verspil je krachten niet aan het bevechten van alles en iedereen.

Nouja, dat denk ik dan.




Om mijn eigen gevoelens een beetje kwijt te kunnen afgelopen week, stortte ik me op een projectje.

Ik had het idee opgevat om de hele stad, muren en gebouwen en bruggen, te bekladden met lieve, naïeve flowerpowerachtige uitspraken.
Spread the love, dat idee. 

En nee, duh, niet écht natuurlijk.
Want hoe leuk ik graffiti ook vind en hoe jammer dat ik het vroeger nooit gedaan heb, ik snap ook wel dat het straatbeeld niet perse mooier wordt met leuzen overal, ook al zijn ze nog zo schattig. Bovendien, als een architect had gevonden dat zijn gebouw tekst nodig had op de zijkant, dan had ie dat wel gedaan, hè.

Gewoon met photoshop natuurlijk. En niet bedoel om de stad te vandaliseren, of daar toe aan te zetten, maar als gimmick.

Het was heel cool om te doen. Terwijl ik op de bank zat met mijn tekentabletje, waande ik me echt met een spuitbus op die locaties, buiten op straat.
En intussen verkneukelde ik me bij de gedachte dat de mensen uit Groningen, die straks mijn foto’s hadden gezien, in verwarring door de stad zouden fietsen, denkend: huh? Maar daar stond toch die ene tekst ....?

Maar helaas.
Nadat ik gisteren de betreffende tumblr-pagina publiceerde op Facebook, gebeurde er helemaal niets.
Haha.
Als ik mijn profielfoto verander, of een plaatje van een kat laat zien, heb ik zomaar 85 likes. Nu niet: een schamele 7 duimpjes.
Mensen begrepen het niet.
Of ze vonden het stom.
So much for trying to spread the love.


Misschien komt de boodschap niet over, omdat ik er eigenlijk niet wérkelijk in geloof.

Want ik zie het eerlijk gezegd allemaal wat somber in.

Nou doei



vrijdag 6 november 2015

Een fenomeen zonder naam

Omdat ik nogal veel te doen had de laatste weken, was er geen tijd om te schrijven over pandaberen en vluchtelingen, over ontvrienden op Facebook (en dat dat in Australië inmiddels officieel onder pesten valt), en over waar allemaal een piemel in moet. 
Jammer, want het hadden misschien best leuke stukjes kunnen worden.

Nu moet u het doen met een heel wat minder belangwekkend verhaal.
Over een fenomeen, dat me ineens opviel.

Een fenomeen dat iedereen kent, al dan niet onbewust, maar dat eigenlijk nooit benoemd wordt. Omdat er geen naam voor is.
En omdat het eigenlijk ook een ontzettend open-deurfenomeen is.
(Misschien moet ik het niet eens fenomeen noemen, maar is het meer een mechanisme?)

Hoe dan ook, ik stond er zo wat over na te denken op het schoolplein, gisteren.
(Ik sta nogal eens op het schoolplein, hè. Bijna dagelijks, en door een wat ongelukkige gezinsplanning: vijftien jaar lang. Waarvan inmiddels tien jaar om zijn. En mocht dit nu klinken alsof ik het heel vervelend vind, dat valt reuze mee: ik zit voornamelijk in mijn eentje achter mijn computer in een leeg huis, dus ik vind het altijd wel even prettig om verplicht door de stad te moeten fietsen en mensen te kijken. Bovendien, ik moet toch ergens mijn structuur vandaan halen.)



Ik ken eigenlijk alle gezichten wel zo’n beetje, op het schoolplein. En ik weet vaak ook nog wel bij welk kind zo’n ouder of oppas hoort. Dat krijg je ervan. 
Maar ik groet natuurlijk niet iedereen op het schoolplein.
Nee, dat zou heel gek zijn. (‘Hoi!’ ‘Hee, hallo!’, ‘Hoi!’ ‘Hoi!’ ‘Hoi!’ ‘Hoi!’  ‘Hee, jij ook hier?’ ‘Hoi!’ ‘Goedemiddag!’ Je bent wel eventjes bezig dan.)

Ik groet alleen de vaders en moeders die ik écht ken – omdat ze bijvoorbeeld de ouders zijn van vriendinnetjes van Loïs.
Tegen de vader van dat ene jongetje met dat groene jasje, uit groep vijf, zeg ik niets. We maken niet eens oogcontact. Want we kennen elkaar tenslotte niet.
Behalve dan van gezicht.
Van hier, van het schoolplein.


Maar stel nou, dat ik de vader van het jongetje met het groen jasje uit groep vijf ergens ánders tegenkom, zeg bij de Hema, dan is het heel goed mogelijk dat we elkaar op zijn minst een knikje of een glimlach toewerpen. Om te zeggen: ‘Hee, ik ken jou, van het schoolplein.’

En sterker nog, als ik die vader van het jongetje met het groene jasje uit groep vijf tegenkom op de Ramblas in Barcelona, in de zomervakantie, dan is het zelfs heel waarschijnlijk dat er een gesprék plaatsvindt!
‘Nou, dat is toevallig! Jullie óók hier?’


De kans dat er een groet wordt uitgewisseld met een vage kennis neemt dus toe naarmate de afstand ten opzichte van de logische context groter wordt.

Of andersom:

Hoe vanzelfsprekender het is dat je iemand ergens tegenkomt, des te kleiner de groetkans.


Grappig hè.


Ik zei het al, het is een beetje een open-deurfenomeen, maar ik vond het toch de moeite van het opschrijven waard.

Dat blijkt wel.



Edit: Ik werd gewezen op dit mooie artikeltje over 'familiar strangers'.